Hoewel (ik zal daar verderop op terug komen) het beslist onjuist is om David Copperfield in de eerste plaats te zien als een zelfportret van Charles Dickens, is de aanleiding voor het schrijven ervan wel degelijk autobiografisch geweest. Volgens zijn (voortreffelijke) biograaf Peter Ackroyd valt dat niet los te zien van de dood van zijn zus Fanny, die in 1848 aan tbc overleed. Het moet hem zeer hebben aangegrepen en een stroom aan jeugdherinneringen hebben losgemaakt. Wat wellicht ook meespeelde was dat zijn eigen zoon Charley nu de leeftijd had waarop hij zelf, 12 jaar oud, moest gaan werken in Warren’s schoensmeerfabriek (twaalf uur per dag, zes dagen per week) omdat zijn vader wegens schulden gevangen was gezet in Marshalsea Prison. Het begraven verleden kwam weer naar de oppervlakte en Dickens schreef een stuk autobiografie van zo’n 7.000 woorden waarin hij die tijd weer oproept: zijn afschuw van het werk in de fabriek, zijn nachtelijke wandelingen door Londen, tot aan zijn ontslag bij Warren’s; het is hier dat het fragment afbreekt.

In dit stuk vraagt Dickens zich af ‘how I could have been so easily cast away at such an age’. De pijn die uit het fragment spreekt is maar al te echt: “My whole nature was so penetrated with grief and humiliation that even now, famous and caressed and happy, I often forget in my dreams that I have a dear wife and children.”
Deze (eigenlijk vrij korte) episode uit zijn jeugd heeft Dickens getekend voor het leven; het werd een trauma voor hem en een zaak waarvoor hij zich diep schaamde. Het is niet overdreven te stellen dat zijn gehele carrière er vooral op gericht was dat niemand hem ooit nog terug zou kunnen zetten in de schoensmeerfabriek van zijn nachtmerries. Hij heeft er met zijn familie en zijn vrienden nooit over gesproken; het autobiografische fragment gaf hij in handen van zijn vriend John Forster, maar het is nooit gepubliceerd. Wel heeft Forster het gebruikt voor het begindeel van zijn Life of Dickens, dat echter pas na de dood van Dickens verscheen.
Het oorspronkelijke autobiografische stuk was een kreet uit de grond van zijn hart waarin alle nadruk lag op het lijden van het jongetje dat hij toen was, beschreven met een overmaat van pathos en toch ook wel zelfmedelijden. Dickens moet zich hebben gerealiseerd dat dit niet het hele verhaal was; de veerkracht en de moed die deze jongen destijds getoond had was het andere deel. Maar het fragment heeft wel gediend als basismateriaal voor David Copperfield. Het materiaal kwam daarin weliswaar in sterk gewijzigde vorm terecht, want deze roman, die begint met een hoofdstuk dat simpelweg “I am born” heet, is wel en niet een feitelijk verslag van zijn eigen jeugd en groei naar volwassenheid; Dickens spreekt zelf over een ‘very complicated interweaving of truth and fiction’, wanneer hij zijn eigen artistieke proces in deze periode beschrijft.
De meeste autobiografische details zijn door de molen van zijn rijke verbeelding gegaan. En de setting van East Anglia en Yarmouth, die in het boek zo’n belangrijke rol speelt als thuisbasis voor de Peggotty-familie, is te danken aan een (journalistiek gemotiveerd) bezoek aan die regio: het leverde niets op in de zin van een krantenartikel (hij was daar met twee collega’s om een moord te onderzoeken), maar hij zag wel onmiddellijk de mogelijkheden van dit karakteristieke landschap en de ligging zo vlak aan zee, voor het gebruik ervan in zijn fictie; ook kwam hij een richtingwijzer tegen met de naam Blunderstone (het werd de geboorteplaats van David).

Maar er zijn ook de hoofdstukken waarin David als een ‘little labouring hind’ in een pakhuis aan de Thames komt te werken. En die waarin zijn goede vrienden de Micawbers wegens schulden de gevangenis in moeten. En die waarin de jonge Copperfield eenzaam door de straten van Londen zwerft: materiaal dat allemaal rechtstreeks uit de autobiografische schets is gelicht.
De dood van de moeder echter en de aanwezigheid van een kwade stiefvader aan wie David daarna overgeleverd is, zijn puur fictie.
Het is daarom verkeerd, zoals wel vaak gedaan is, om de schrijver Charles Dickens in deze roman te vereenzelvigen met de hoofdpersoon David Copperfield. De D.C. die zich in de loop van het verhaal als romanschrijver ontpopt, had nooit de boeken van C.D. kunnen schrijven; de eerste is een onopvallende figuur, lang niet zo kleurrijk en flamboyant als zijn schepper was. Dat is in elk geval hoe Dickens hem presenteert.
Uit de roman valt totaal niet op te maken hoe David er als fysieke verschijning uit ziet. En de persoonlijke karakteristieken waarmee Dickens veel van zijn personages uitrust en waaraan zij onmiddellijk te herkennen zijn (een bepaalde uitspraak, iets in hun uiterlijk wat eruit springt, kenmerkende handelingen) ontbreken bij David geheel.
Dickens maakt van zijn hoofdpersoon een type, omdat hij een algemene, universele geschiedenis wil vertellen.
(Dat dat gelukt is blijkt wel uit het gegeven dat zoveel mensen zich hierin konden herkennen. Menige Victoriaanse Engelsman zag elementen uit zijn eigen jeugd terug in de roman. John Forster schrijft dat ‘it can hardly have had a reader, man or lad, who did not discover that he was something of a Copperfield himself’.)
De roman heeft autobiografische trekken, dat zeker, maar Dickens wilde niet louter zijn persoonlijke geschiedenis op papier zetten. Het is ook niet voor niets dat hij startte met het schrijven van een autobiografie, maar dat project vervolgens heeft losgelaten om over te stappen op een roman. Omdat hij een algemeen beeld wilde geven van wat het betekent om als jongen op te groeien in de 19e eeuw.
Dickens is deze roman altijd als zijn beste blijven beschouwen. Wanneer hem een jaar voor zijn dood gevraagd wordt welke van zijn boeken hij als het meest geslaagd ziet, zegt hij meteen: “Unquestionably David Copperfield.” En: “I can never approach the book with perfect composure.” Vele jaren na dato raakte hij nog steeds ontroerd als hij terugdacht aan het schrijven ervan.
Het is in elk geval Dickens’ eerste echte meesterwerk.
Lange tijd is het zelfs, samen met Pickwick Papers, gezien als het hoogtepunt van Dickens’ oeuvre.
Inmiddels is de waardering verschoven naar de latere romans. Mijns inziens terecht. Hoe goed David Copperfield ook is, Bleak House, Little Dorrit en Great expectations zijn nóg beter. Conclusie: Dickens is gewoon een geweldige romanschrijver.
In het algemeen wordt Dickens vroege werk (zeg maar vanaf zijn debuut Pickwick Papers tot en met de romans Martin Chuzzlewit en Dombey and Son) gezien als losser qua compositie en meer episodisch. Het zijn wat men ‘picareske’ vertellingen noemt, waarin de held van plek naar plek zwerft en uiteenlopende avonturen beleeft die niet noodzakelijk een sterke samenhang vertonen. Er zijn lezers en critici die aan dit vroege werk de voorkeur geven (Chesterton bijvoorbeeld): het laat Dickens vooral als komisch auteur zien en de karaktertekening is zeer gevarieerd en uitermate schilderachtig. (Hoewel daar onmiddellijk aan toegevoegd moet worden dat ook de late romans een verbluffende serie aan onvergetelijke personages te zien geven: je hoeft uit David Copperfield alleen al Mr. Micawber, Uriah Heep, Steerforth, Rosa Dartle, de Murdstones en Betsey Trotwood te noemen om dat te illustreren – en dat allemaal voor de prijs van één roman!!).
De zeven laatste romans, te beginnen met David Copperfield en eindigend met Our mutual friend als laatste voltooide roman, zijn meer geconcentreerd en samenhangend, minder komisch dan de vroege romans, maatschappijkritisch en vaak wat melancholisch van toon (hoewel ook hier de humor niet ontbreekt, want wat zou Dickens zijn zonder humor).
Dickens’ ‘favoriete kind’, David Copperfield, gepubliceerd in 1849 toen Dickens 37 jaar oud was, staat dus in wezen precies in het midden van deze ontwikkeling, een soort van scharnierroman in zijn totale productie..
Peter Ackroyd schrijft: “Compared with Dickens’ previous novels, David Copperfield has much less movement, much less speed and glitter; it is stiller, retrospective, the sentiment chastened, the comedy deepened.”
Q.D. Leavis, echtgenote van de bekende Engelse literatuurcriticus F. R. Leavis, die samen met haar man de bundel Dickens the Novelist schreef, zegt in haar stuk over David Copperfield:
“The masterly construction of David Copperfield is the more surprising when one reflects that its only predecessor as an integrally conceived novel was Dombey and Son, and that that broke down with the death of little Paul [ik heb daar in een vorig stuk over geschreven]. David Copperfield is only a year later but what an advance it shows in planning, complexity of conception and consistency from the first chapter right through to the schematic ending…”
Wat dat laatste betreft: zowel Dombey and Son als David Copperfield kennen inderdaad zo’n, er min of meer met de haren bij gesleept, in een paar pennenstreken neergezet einde dat een reeks van jaren omvat en de geschiedenis samenvat en tot voltooiing brengt. Mevrouw Leavis noemt het ‘a concession to the reading public which Dickens never makes again’.
Na David Copperfield zal geen enkele roman meer zo’n happy end kennen.
Het is ook de eerste roman van Dickens die in de ik-vorm is geschreven (en in die vorm prachtig en overtuigend verteld wordt). Daardoor is het de eerste roman waarin hij werkelijk binnenin zijn hoofdpersoon kruipt. En voortdurend, van jongs af aan, diens motivaties becommentarieert of ter discussie stelt, zich afvraagt waar bepaalde impulsen vandaan kwamen, waarom hij die of die beslissing genomen heeft e.d.: je zou David Copperfield zeker een psychologische roman kunnen noemen (Angus Wilson vergelijkt het boek zelfs met Prousts A la recherche du temps perdu!!).
Een voorbeeld van zijn benadering van binnenuit is het moment waarop David (zo blijkt achteraf) zijn moeder voor de laatste keer ziet als hij na een vakantie terug naar zijn kostschool gaat:
“I was in the carrier’s cart when I heard her calling to me. I looked out, and she stood at the garden gate alone, holding her baby [Davids pasgeboren halfbroertje] in her arms for me to see. It was cold still weather; and not a hair of her head, or a fold of her dress, was stirred, as she looked intently at me, holding up her child. So I lost her. So I saw her afterwards, looking at me with the same intent face, holding up her baby in her arms.”
Een prachtige impressie!
Recht uit het hart zijn ook de vele verzuchtingen waarin het geleden verlies doorklinkt en die getuigen van het isolement van de nu totaal op zichzelf aangewezen jongen. Bijvoorbeeld: “No advice, no counsel, no encouragment, no consolation, no support from anyone that I can call to mind, so help me God…”
Eén van de meest opmerkelijke aspecten van deze roman (en het maakt zonder meer één van de kwaliteiten ervan uit) is de psychologie van de relatie van David tot zijn moeder, die sterk zijn latere houding in het leven, en meer bijzonder zijn houding tegenover vrouwen, bepaalt.
Wanneer David geboren wordt, is zijn vader al dood. (Hij ligt begraven op het kerkhof naast het woonhuis van de Copperfields en Davids grootste angst, nadat hij een keer in de kerk het verhaal van Lazarus die opstaat uit de dood heeft gehoord, is dat zijn vader op een nacht ook zal verrijzen).
Zijn moeder, Clara Copperfield, is een meisjesachtige vrouw; zonder vader en opgroeiend in een kinderparadijs waar hij zijn moeder geheel en al voor zichzelf heeft, omgeven door liefde en tederheid (totdat er een indringer verschijnt in de persoon van Mr. Murdstone, die Clara’s tweede echtgenoot wordt), zal hij de liefde voor en van een vrouw altijd blijven associëren met zijn moeders persoonlijkheid, met haar jeugdige, naïeve vrolijkheid, haar gekrulde haar, haar ijdelheid, kleinzieligheid zelfs ook. Door Davids onkritische kinderlijke ogen gezien wordt dat een ideaalbeeld – uiteraard zonder haar zwaktes te onderkennen.
Wat David daarnaast de hele roman door zal blijven kenmerken is zijn goedgelovigheid, die hem vaak een figuur doet slaan en hem ook geregeld in moeilijkheden brengt. Ook die karaktereigenschap is geërfd. In het openingshoofdstuk, dat zich afspeelt als David nog (net) niet geboren is, wordt dat duidelijk. Betsey Trotwood, een tante van zijn overleden vader, komt poolshoogte nemen en krijgt te horen dat haar neef het huis per vergissing the Rookery heeft genoemd (de vogelnesten bij het huis waren al enige tijd geleden leeg achtergelaten). “’David Copperfield all over’, cried Miss Betsey, ‘calls a house a Rookery when there’s not a rook near it and takes the birds on trust, because he has seen the nests’”.
Bij wijze van vakantie (in werkelijkheid is het zodat zijn moeder achter zijn rug om in het huwelijk kan treden met de vreselijke Murdstone) neemt Peggotty hem mee naar haar broer in Yarmouth, die daar woont in een huis dat niet werkelijk een huis is, maar een omgebouwde boot. Hier voelt alles comfortabel en veilig:
“There was a delightful door cut in the side and it was roofed in and there were little windows in it; but the wonderful charm was that it was a real boat that had no doubt been on the waters hundreds of times and which had never been intended to be lived in, on dry land.”
Als woonplek is het klein en nauw, maar het voelt ook gezellig en warm: een toevluchtsoord. En Mr. Peggotty is een genereuze man: hij heeft zijn neef Ham en zijn nichtje, Little Em’ly, beiden wezen, in huis genomen, en bovendien de weduwe van een oude vriend, de in haar klaaglijkheid hilarische Mrs. Gummidge (“I’m a lone and ‘lorn creature and everything goes contrary with me… I feel it more than anyone else, you see”. Waarop Mr. Peggotty’s commentaar: “She’s thinking of the old one”). En hij zorgt voor hen, een zorg die David hierna volledig zal ontberen, zo blijkt wanneer hij weer naar huis gaat.

Bij terugkeer blijkt er nu een surrogaat-vader te zijn, Mr. Murdstone, de nieuwe echtgenoot van zijn moeder, en één met een buitengewoon kwaadaardige inborst (kijk alleen al naar de naam van de man, die de suggestie van steenhard of steenkoud combineert met een eerste lettergreep die erom vraagt tot ‘murderer’ uitgebreid te worden):
“’David’, he said, making his lips thin by pressing them together, ‘if I have an obstinate dog or horse to deal with, what do you think I do?’ ‘I don’t know.’ ‘I beat him’… ‘I make him wince, and smart. I say to myself: ‘I’ll conquer that fellow’, and if it should cost him all the blood he has, I should do it. What is that upon your face?’. ‘Dirt’, I said.
He knew it was the mark of tears as well as I.”
Nadat David zijn stiefvader gebeten heeft (!) wordt hij van huis weggestuurd, naar een kostschool waar hij valt onder het regime van de sadistische Mr. Creakle en zijn sinistere schaduw, de portier Tungay met zijn houten been. Creakle zet het werk dat door Murdstone was begonnen gewoon voort:
“Mr. Creakle came to where I sat and told me that if I was famous for biting [de jongen moet een tekst op zijn rug dragen: ‘Take care of him. He bites’], he was famous for biting, too. He then showed me the cane and asked me what I thought of that, for a tooth? Was it a sharp tooth, hey? Was it a double tooth, hey? Had it a deep prong, hey? Did it bite, hey? At every question he gave me a fleshy cut that made me writhe…”
Ook dit is autobiografisch: Creakle is gebaseerd op de hoofdmeester van de school waar Dickens heen ging na zijn maanden in de fabriek; hij omschreef hem als ‘one of the worst tempered men perhaps that ever lived, whose business was to make as much out of us and to put as little into us as possible’.
Het is hier op school dat David het slechtst mogelijke bericht krijgt: van de dood van zijn moeder. Nu is hij thuis geheel aan de Murdstones overgeleverd (ook de zuster van zijn stiefvader, die de jongen niet kan luchten of zien, is bij hen ingetrokken), die geen aanstalten maken hem terug te sturen naar school (waar hij tenminste nog enkele vrienden gemaakt had) of anderszins voor zijn opleiding te zorgen. En Peggotty wordt het huis uit gewerkt – zij kiest eieren voor haar geld en trouwt met de vrachtrijder Barkis: “I had lost Peggotty.”
Ook dit heeft grote consequenties: zijn oude dienstmeid Peggotty, is de enige die nu voor hem nog als een soort van surrogaat-moeder kan fungeren (zij en Davids moeder dragen zelfs dezelfde voornaam Clara); op haar, zo zal blijken, kan David altijd terugvallen – maar voor nu is ze ver weg.

Wel heeft Murdstone wat nieuws voor hem in het verschiet: David wordt te werk gesteld bij de firma Murdstone and Grisby. Tijd voor Dickens om zichzelf eindelijk te confronteren met de gruwelen van de Fabriek: “I now approach a period in my life, which I can never lose the remembrance of… and the recollection of which has often, without my invocation, come before me like a ghost, and haunted happier times.”
Deze episode wordt beschreven als een leven zonder hoop, zonder uitzicht. Met wellicht één klein lichtpuntje: het echtpaar Micawber, bij wie hij een kamer huurt en met wie hij bevriend raakt. (Zij zijn gebaseerd op zijn beide ouders, maar door hen in de roman op wat meer afstand van David te plaatsen, kan hij een objectiever beeld van hen schetsen). Wanneer de Micawbers naar Plymouth verhuizen, in de hoop op een betrekking voor Mr. Micawber daar, blijft David helemaal alleen en totaal miserabel achter. Er rest hem nog maar één mogelijkheid: weglopen en op zoek gaan naar het enige familielid waar hij weet van heeft: zijn oudtante Betsey Trotwood. Haar huis in Dover wordt een warm toevluchtsoord voor David (zoals het huis van Mr. Peggotty in Yarmouth dat was).
Het is nu dat David, met de dood van zijn moeder totaal verweesd geraakt, in staat gesteld wordt (na eerst een hoop ellende te hebben meegemaakt) zijn besloten jeugd nog een keer over te doen: Betsey Trotwood neemt hem onder haar hoede; hij komt in huis bij Agnes en haar vader Mr. Wickfield in Canterbury en vervolgt zijn opleiding op school bij dr. Strong.
Het is op dit moment in de roman dat David eindelijk tot zichzelf komt; het eerste deel, dat een criticus The Trials of David noemde, is voorbij.
Er is vaak gezegd dat met Davids aankomst bij aunt Betsey de roman in tweeën wordt gesplitst; zelfs dat hier het werkelijk interessante deel van de roman voorbij is (zoals sommigen vonden dat Dombey and Son eigenlijk eindigde met de dood van Paul Dombey) en dat wat nu volgt veel minder boeiend is. En inderdaad is het deel over de jeugd van David fantastisch geschreven; George Orwell zei over de eerste hoofdstukken: “I vaguely imagined they had been written by a child”, en hij bedoelde dat als een groot compliment. Maar daarna ontwikkelt het boek zich verder; het centrale gegeven is een groeiproces in de loop van de tijd, de ene laag komt over de andere heen terwijl Davids geest wordt gevormd en zijn persoonlijkheid groeit in de richting van volwassenheid. Terwijl het daarbij ook steeds weer duidelijk wordt hoezeer de ervaringen uit de jeugd doorklinken in het volwassen leven en dat mede vormen.
Ik wil nu nu weer even terugkomen op de verhouding van David tot zijn moeder, die door Dickens met groot psychologisch inzicht en uiterst delicaat beschreven wordt. David is opgegroeid zonder vader, maar, zoals gezegd, van jong af aan in een vrouwenhuishouden omringd door de toewijding en liefde van zijn moeder en Peggotty, totdat het tweede huwelijk van zijn moeder haar van hem scheidde (zowel emotioneel als fysiek: David wordt naar een kostschool gestuurd). De emotionele complexiteit van deze situatie valt nauwelijks te overschatten, maar er is een (mooi beschreven) moment waarin David erin slaagt zich hiermee te verzoenen: hij komt voor een korte vakantie van school naar huis en het eerste wat hij ziet wanneer hij binnen komt, is zijn moeder met haar pasgeboren kind aan haar borst. In plaats van jaloers te zijn wordt hij door dit beeld weer helemaal teruggevoerd naar zijn kindertijd en voelt hij weer de warmte van zijn moeder die hem toen omgaf.
De liefdevolle idylle van de avond die hij dan doorbrengt in gezelschap van de liefde van de twee Clara’s (Murdstone is die avond godzijdank afwezig) krijgt haar definitieve beslag, de volgende keer dat hij weer thuis komt, namelijk voor zijn moeders begrafenis. Van Peggotty krijgt hij het relaas van haar ‘sweet girl’s’ ondergang te horen en wat er dan gebeurt vind ik een schitterende vondst van Dickens: het is alsof de gehele (ongelukkige) tussenliggende periode in Davids geest uitgevlakt wordt en zijn relatie tot zijn moeder in haar eeuwige jeugd voor altijd vastgelegd wordt. En Peggotty, die zowel de moeder als de zoon bemoederd heeft, dit verhaal te laten vertellen is zoveel effectiever dan in plaats daarvan ons een concrete sterfscene te presenteren.
“From the moment of my knowledge of the death of my mother, the idea of her as she had been of late vanished from me. I remembered her, from that instant, only as the young mother of my earliest impressions, who had been used to wind her bright curls round and round her finger, and to dance with me at twilight in the parlour. What Peggotty had told me now, was so far from bringing me back to the later period, that it rooted the earlier image in my mind. It may be curious, but it is true. In her death she winged me back to her calm untroubled youth, and cancelled all the rest.”
David identificeert zich nu geheel met haar jongere kind, dat gelijktijdig met haar gestorven is en met haar begraven wordt: “The mother who lay in the grave, was the mother of my infancy; the little creature in her arms was myself, as I had once been, hushed forever on her bosom.”

Ik vind dit werkelijk prachtig, en het is vrij van iedere sentimentaliteit. (De enige bedenking die je erbij zou kunnen hebben, is dat er in feite geen reden is waarom het jonge kind exact gelijk met de moeder zou overlijden.)
Geef een reactie