In Dora Spenlow ontmoet David een dubbelganger van zijn moeder, krullen en al, en dus kan hij niet anders dan hals over kop verliefd op haar worden. (Het model voor Dora was Dickens’ ongelukkige jeugdliefde Maria Beadnell).
Iets soortgelijks voelde hij, op veel jongere leeftijd nog, voor Little Em’ly, het nichtje van Mr. Peggotty in Great Yarmouth. Hij ontmoet haar op twee essentiële momenten: de keer dat hij voor het eerst gescheiden wordt van zijn moeder tijdens de logeerpartij bij de Peggotty clan en vlak nadat zijn moeder is overleden. David valt voor haar omdat hij haar ziet als liefhebbend, teder, een tikje verwend, mooi en vrolijk: allemaal eigenschappen die ook op zijn moeder van toepassing zijn, ook zij heeft de benodigde krullen. David gaat naar bed en bidt ‘that he might grow up to marry Little Em’ly’; zouden ze getrouwd zijn dan stelt hij zich voor dat zij beiden ‘never grow older, never grow wiser, be children ever’. Maar het zal heel anders lopen met Little Em’ly…

Wanneer David Agnes Wickfield ontmoet ziet hij als haar belangrijkste karakteristiek dat ze haar vaders huishoudster is (haar moeder is al overleden) en de sleutels van het huis altijd bij zich draagt. Davids moeder heeft het huishouden nooit onder de knie gekregen en Dora raakt er helemaal van in paniek zodra David suggereert dat dat toch haar taak zal zijn als ze straks getrouwd zijn. Agnes doet David expliciet niet aan zijn moeder denken. Ze is voor hem (en voor haar vader, die haar ‘my little housekeeper’ noemt) geen kind maar een jonge, kleine vrouw. Ze is niet vrolijk en meisjesachtig, maar kalm, evenwichtig en verantwoordelijk. David stelt vast: “I love Little Em’ly and I don’t love Agnes – no, not at all in that way.” Hij ziet haar als een zuster.

Als echtgenote is Dora pathetisch en irritant; ze is dat eigenlijk vanaf het moment dat David verliefd op haar wordt, en de buitenwereld in de persoon van Betsey Trotwood ziet dat scherper dan hij zelf en geeft daar ook uiting aan, maar tevergeefs. Aan het eind van één van de hoofdstukken echoën Betsey’s woorden als een refrein nog na in zijn hoofd (‘Blind, blind, blind!’), maar desondanks kan hij niet anders dan haar tot zijn vrouw nemen. Het belangrijkste punt dat nog pleit voor Dora is wat ook gold voor moeder Clara: ze is zo ‘affectionate’. Clara: “Whatever I am, I am affectionate. I know I am affectionate. I wouldn’t say it if I wasn’t certain that I am. Ask Peggotty. I am sure she’ll tell you that I am affectionate.” (Davids vader had van haar gezegd dat ‘a loving heart was better and stronger than wisdom and that he was a happy man in hers’.)
En Dora’s enige verweer, wanneer David haar aanspreekt op haar onverantwoordelijke, kinderlijke gedrag: “I am sure I am very affectionate.”

David met Dora Spenlow

Uiteindelijk is Dickens’ besluit om Dora jong te laten sterven (een besluit waar hij, getuige zijn correspondentie, lange tijd over getwijfeld heeft) de ultieme uiting van het gegeven dat Dora, die ieder gezond verstand en praktisch inzicht ontbeerde, volstrekt ongeschikt was voor het moederschap en het gezinsleven (voor het leven in het algemeen, zou je ook kunnen zeggen). David heeft al snel ingezien dat iedere poging van zijn kant om haar op te voeden en haar geest te vormen (ik ben mezelf ervan bewust hoe ongeëmancipeerd dit klinkt vanuit hedendaags perspectief) futiel zijn…

En hoe aangrijpend is het dat Dickens Dora, als ze al zo ziek is dat het iedereen duidelijk is dat ze nooit meer beter wordt, laat zeggen: “After more years, your child-wife would have disappointed you… I know I was too young and foolish.”

Wanneer David aan het eind van de roman met Agnes trouwt, is dat vooral theoretisch gezien een bevredigende plotwending, als de uiteindelijke vervolmaking van Davids levensloop en garantie voor zijn geluk. Maar tegelijkertijd voelt het toch leeg en onovertuigend wanneer je deze relatie naast zijn liefde voor Dora zet die, ondanks alle tekortkomingen die David heel goed zag (op een gegeven moment verklaart hij zelfs dat het huwelijk voelt als een gevangenis), toch oprecht was (net zoals zijn rouwen om haar wanneer zij dood is) en voorzag in een primaire behoefte bij hem aan liefde en tederheid. Agnes is een soort van engel, met een onveranderlijke glimlach van heiligheid op haar gezicht. Zij voorziet in een andere basisbehoefte: die van veiligheid en praktisch comfort.

Agnes Wickfield

Je kunt als lezer niet echt van Agnes houden, ze is te perfect. Maar wel, ondanks al haar irriterende tekortkomingen, van Dora, die in al haar naïviteit door Dickens prachtig (en nergens clichématig) geportretteerd wordt.

Met Little Em’ly loopt het slecht af en dat is zeker ook het gevolg van Davids grenzenloze (en zoals zal blijken: ongerechtvaardigde) vertrouwen in zijn schoolkameraad James Steerforth.

David heeft een welhaast ongelimiteerde bewondering voor Steerforth: hij kijkt tegen hem op (Victoriaans klassenbewustzijn is David zeker niet vreemd): hij is van veel betere komaf en lijkt te slagen in alles wat hij onderneemt. De oudere en rijpere Steerforth neemt op zijn beurt David nooit serieus: hij noemt hem Daisy, wat iets zeer neerbuigends heeft: Steerforth ziet David nooit als een echte, gelijkwaardige vriend, hij gebruikt hem voor zijn eigen doeleinden.
Wanneer Agnes David ervoor waarschuwt dat Steerforth niet is wie hij lijkt te zijn, is dat onmogelijk voor hem om te accepteren. (Terwijl wij als lezers allang gezien hebben dat Steerforth zelfzuchtige, arrogante, zelfs wrede trekken heeft die weinig goeds beloven). Het is één van de duidelijkste manifestaties van Davids goedgelovigheid, met desastrueuze gevolgen.

In eerste instantie kan het David niet aangerekend worden dat hij Steerforth verkeerd inschat: hij is nog erg jong wanneer hij op de school van Mr. Creakle aankomt en de aangeboden bescherming door de oudere leerling geeft hem een gevoel van veiligheid in een omgeving die voor hem onveilig en bedreigend was.

Steerforth

Zonder enige bedenking en in het volste vertrouwen introduceert David zijn vriend bij het deugdzame huishouden in Great Yarmouth, niet wetende dat Steerforth zich daar zal ontpoppen als de verleider van Little Em’ly: hij gaat er met haar vandoor.
Inmiddels zouden we wel enig ongeduld mogen voelen met Davids onvermogen ‘to change his simple confidence for worldly wisdom’ en een gerede angst mogen hebben dat hij net als zijn moeder (in de woorden van Betsey Trotwood) op zal groeien tot ‘a most unworldly, most unfortunate baby’.

Dat Little Em’ly zo vatbaar was voor de charmes van Steerforth mag niet verbazen; een kinderlijk onschuldig meisje, over-beschermd opgegroeid te midden van zeer toegeeflijke familieleden en voorbestemd te trouwen met haar saaie neef Ham, terwijl ze zelf geregeld de naïeve wens had uitgesproken een lady te willen zijn. Het wordt haar door haar oom, die haar tenslotte terugvindt na een jarenlange zoektocht, ook niet aangerekend.

Mr. Peggotty vindt Emily terug

Dickens laat Steerforth omkomen in een storm op zee. Uit zijn correspondentie weten we dat Dickens vaak de grootste moeite had om geliefde personages te laten sterven; hij was tijdens het schrijfproces zo’n relatie met hen aangegaan dat ze hem even nabij waren als vrienden van vlees en bloed. Uit brieven blijkt bijvoorbeeld hoe hij, bij het schrijven van Dombey and Son, opzag tegen de dood van Paul Dombey en dat hij, toen hij er tenslotte in geslaagd was de jongen te ‘doden’, urenlang, tot diep in de nacht, door de straten van Londen zwierf om het verlies te verwerken. Ook voor David is de dood van Steerforth zeer aangrijpend (aangrijpender haast nog dan de dood van zijn vrouw), getuige de opening van het hoofdstuk waarin de scheepsramp plaatsvindt:
“I now approach an event in my life, so awful, so bound by an infinite variety of ties to all that has preceded it, in these pages, that, from the beginning of my narrative, I have seen it growing larger and larger as I advanced, like a great tower in a plain, and throwing its forecast shadow even on the incidents of my childish ways.
Four years after it occurred, I dreamed of it often. I have started up so vividly impressed by it, that its fury has yet seemed raging in my quiet room, in the still night. I dream of it sometimes, though at lengthened and uncertain intervals, to this hour.
As plainly as I behold what happened, I will try to write it down. I do not recall it, but see it done; for it happens again before me.”

Steerforth voelde voor David zeer nabij als vriend; dat hij door zijn egoïstische handelen de familie Peggotty in het ongeluk heeft gestort en Emily door de affaire voor het leven getekend is geraakt, is iets wat hij zijn vriend (uiteraard) wel aanrekent, maar hij heeft hem niet verstoten en koestert nog steeds, getuige bovenstaande woorden, innige vriendschapsgevoelens voor hem.

Dat Ham Peggotty de dood vindt in een reddingsactie bij een storm die voor de kust van Yarmouth woedt, als uitgerekend het schip vergaat waarop Steerforth zich bevindt, lijkt een al te grote toevalligheid. Maar het levert wel mooie bladzijden op.

Ham Peggotty was ten dode opgeschreven, dat probeert zijn schepper steeds weer duidelijk te maken wanneer hij ter sprake komt na de vlucht van zijn geliefde Emily. Ham is ontroostbaar en totaal vreugdeloos, ziet geen enkele zin meer in het leven. Dat hij een verkapte zelfmoord pleegt door zich te storten in een kansloze reddingsoperatie, verbaast ons daarom niets. Wanneer hij terug op het land wordt getrokken, is hij dood: “he had been beaten to death by the great wave and his generous heart had been stilled forever.” David is hier getuige van.
Even later, als bij de levenloze Ham zit, wordt hij door een oude visser naar de kust geroepen. “Has a body come ashore?” “Yes.” “Do I know it?” He answered nothing. But, he led me to the shore… I saw him lying with his head upon his arm, as I had often seen him lie at school.”
Steerforth dus.
Uiterst simpel en effectief, deze regels. Zonder enige sentimentaliteit, maar je krijgt er kippenvel van!
In verband hiermee zou je wellicht kunnen zeggen: Dickens heeft zich er wat Dora’s dood betreft te gemakkelijk vanaf gemaakt. Het huwelijk van David en Dora was ongemakkelijk, bracht hem niet wat hij van een relatie binnen een huwelijk verwachtte, en dus maakte Dickens er door haar te laten sterven een einde aan, en ook nog op een tamelijk terloopse manier: haar dood komt in een oppervlakkig, globaal hoofdstuk dat Another retrospect heet). Haar dood staat in wezen volledig in de schaduw van die van Steerforth en Ham, die zo veel indrukwekkender beschreven is.

Twee van de sterkste staaltjes karakterisering die de roman rijk is betreffen de personages van Mr. Micawber, één van de grote komische creaties in de Engelse literatuur, Uriah Heep, één van de onaantrekkelijkste personages ooit in Dickens.

Om met de laatste te beginnen: David ‘has a sort of fascination’ voor Uriah Heep en is ‘attracted to him in very repulsion’.
Uriah is de hypocriet bij uitstek die over zichzelf blijft verklaren dat hij zo ’humble ‘ is. Terwijl hij zich vanuit die geposeerde nederigheid op slinkse wijze onmisbaar weet te maken bij zijn werkgever Mr. Wickfield (de vader van Agnes) en hem daarbij vrijwel ten gronde richt. En hij noemt David, die zich door hard werken een positie heeft weten te verwerven, een ‘upstart’ (een parvenu, zouden wij zeggen). Hij haat David uit de grond van zijn hart (en dat is geheel wederzijds; ook Dickens moet een grondige hekel hebben gehad aan Uriah die met geen enkele compenserende goede eigenschap wordt uitgerust).

Uriah Heep

Dickens weet deze figuur door de ogen van David op afstotelijke wijze tot leven te wekken. Hij heeft altijd vochtige, slijmerige handen (“His damp cold hand felt so like a frog in mine, that I was tempted to drop it and run away”). Wanneer Uriah een nachtje bij David blijft logeren kan deze niet slapen bij de gedachte aan dit gedrocht in zijn huiskamer en sluipt dan die kamer binnen om een blik te werpen op de slapende Uriah:
“There I saw him, lying on his back, with his legs extending I don’t know where, gurglings taking place in his throat, stoppages in his nose, and his mouth open like a post office…”

Mr. Micawber, met zijn zware gestalte en zijn kale hoofd, zijn brilletje en zijn stok, is zo’n imponerende verschijning dat je het gevoel hebt dat hij een groot deel van de roman domineert, terwijl hij maar op een fractie van het totaal van bijna 900 bladzijden voorkomt (hetzelfde is het geval met bijvoorbeeld Sairy Gamp in Martin Chuzzlewit).
Je krijgt het gevoel dat Dickens hem graag in de roman wilde hebben (wellicht omdat Micawber een ode is aan de levensstijl van Dickens’ vader, die even charismatisch en levenslustig was en een soortgelijk vermogen had de ene schuld met de andere te voldoen zonder zich daar erg druk over te maken), maar veel moeite heeft moeten doen om hem in het verhaal in te passen, terwijl hij eigenlijk geen werkelijke rol heeft in de plot. Zo zien we hem eerst als Davids huisbaas en vervolgens als die van Davids schoolvriend Tommy Traddles. Dickens stuurt hem naar Canterbury waar hij een betrekking vindt bij Uriah Heep, die zich op slinkse wijze omhooggewerkt heeft in het bedrijf van Mr. Wickfield (nu de firma Wickfield & Heep), om daar op nogal onwaarschijnlijke wijze het instrument te worden van Heeps ondergang.

Hij is gigantisch, zowel qua fysieke verschijning als waar het de impact van zijn persoonlijkheid betreft; alles aan hem is overdreven en toch is het een zeer realistisch portret dat van hem getekend wordt.
Hij is een ware woordkunstenaar, maar zijn taalgebruik is formeel en onnodig complex, wellicht om te compenseren voor de armoedige omstandigheden waarin hij zich bevindt. En overal waar hij is, zelfs in de meest deerniswekkende omstandigheden, in de gevangenis of in armoedige onderkomens, haast bezwijkend onder torenhoge schulden, is er vreugde en levenslust. Niemand, zelfs zijn schuldeisers niet, heeft een hekel aan Micawber.

Mr. Micawber

Wel is hij onderhevig aan krachtige emoties die voortdurend tussen extremen heen en weer bewegen: hij kan het ene moment in tranen zijn, het volgende uitbarsten in een vrolijk, levenslustig lied; een houding van tragische onderwerping aannemen wanneer hij wordt afgevoerd naar de gevangenis (wegens schulden, net als Dickens’ vader), waar hij even later wordt aangetroffen terwijl hij een spelletje doet met zijn medegevangenen.
In een brief vanuit de gevangenis overweegt hij zelfmoord: ‘some future traveller’ die hem in de toekomst komt bezoeken ‘will ponder, as he traces on its wall, inscribed with a rusty nail, the obscure initials W.M. [Wilkins Micawber]. De dag daarna volgt een nieuwe brief: “I re-open to say that our common friend Tommy Traddles has paid the debts and costs… and that myself and family are at the height of earthly bliss.”
Hij weet zichzelf telkens weer op te pakken (dat is één van de aantrekkelijke aspecten van deze figuur) in de hoop dat ‘something will turn up’. Het echtpaar Micawber zit altijd in de problemen: onophoudelijk is er sprake van schuldeisers, pandjesbazen en de dreiging van de gevangenis. Het zijn buitengewoon charmante mensen, maar totaal incapabel om hun leven te ordenen. Al zijn ze van mening dat de schuld ligt bij de maatschappij, die steeds weer onwillig blijkt de niet geringe capaciteiten van Mr. Micawber op waarde te schatten.

Het is ook Mr. Micawber die de ontmaskering van Uriah Heep bewerkstelligt. Als werknemer van de firma Wickfield & Heep heeft hij ontdekt dat Heep de firma alleen maar voor zijn eigen voordeel gebruikte, daarbij slim gebruik makend van het drinkprobleem van Mr. Wickfield, die daardoor niet meer helder genoeg was om zijn eigen zakelijke belangen te behartigen. In de bekende bloemrijke Micawber-stijl, doorspekt met juridische termen, draagt hij het document voor waarin hij alle misstappen van Heep minutieus heeft vastgelegd. Micawber schittert in deze rol die zijn finest hour is, zijn ‘enjoyment of his epistolary powers, in describing this unfortunate state of things, really seemed to outweigh any pain or anxiety that the reality could have caused him [Micawber is door Heep ook geld misgelopen. En hij is al zo arm!]’.

Heep laat nu werkelijk zijn masker vallen: “Though I had long known that his servility was false, and all his pretences knavish and hollow, I had no adequate conception of the extent of his hypocrisy, until I now saw him with his mask off. The suddenness with which he dropped it, when he perceived that it was useless to him; the malice, insolence and hatred he revealed, the leer with which he exulted in the evil he had done, though perfectly consistent with the experience I had of him, at first took even me by surprise…”

Het document van Micawber onthult dat ‘Mr. W. [Wickfield] was imposed upon, kept in ignorance and deluded in every possible way; yet that all this while, the ruffian – HEEP – was professing unbounded gratitude to, and unbounded friendship for, that much abused gentleman’… ‘that Mr. W. had been for years deluded and plundered, in every considerable manner, to the pecuniary aggrandisement of the avaracious, false and grasping – HEEP’… ‘who, by making himself necessary to him, had achieved his destruction’.

Micawber en zijn vrouw vinden hun eindbestemming in Australië, waarheen zij emigreren, in het kielzog van Emily (die na onteerd te zijn niet meer in Engeland kan blijven) en haar oom.

De roman in zijn totaliteit overziend, meen ik dat het verhaal van David Copperfield twee culminatiepunten heeft. Het eerste is de ontvangst bij zijn oudtante Betsey in Dover, waarmee de trials van zijn jonge jaren tot een einde komen en de periode van adolescentie en groei naar volwassenheid kan beginnen. En het tweede punt betreft de twee kort op elkaar volgende sterfgevallen van Dora en Steerforth, wat niet alleen zo’n enorme impact heeft omdat het hier gaat om zijn eerste liefde en zijn eerste vriendschap, maar omdat hij nu ook tot het pijnlijk besef komt hoezeer hij in beide gevallen tot een verkeerd oordeel is gekomen. Hij gaat dan op reis, trekt door Europa met als voornaamste doel: met zichzelf en de fouten die hij begaan heeft in het reine te komen.

Er is al vaak op gewezen dat de passages waarin David in Zwitserland lange bergwandelingen maakt en over zijn leven nadenkt, erg doen denken aan The Prelude van William Wordsworth, waarvan de definitieve versie van 1850 verscheen; dezelfde tijd dat Dickens aan David Copperfield werkte. Te verkeren in deze imposante natuur brengt beide auteurs tot diepe inzichten. Bij Dickens:
“I had found sublimity and wonder in the dread heights and precipices, in the roaring torrents, and the wastes of ice and snow; but as yet, they had taught me nothing else.
I came, one evening before sunset, down into a valley, where I was to rest. In the course of my descent to it, by the winding track along the mountain-side, from which I saw it shining far below, I think some long-unwonted sense of beauty and tranquillity, some softening influence awakened by its peace, moved faintly in my breast…
In the quiet air, there was a sound of distant singing – shepherd voices; but, as one bright evening cloud floated midway along the mountain’s-side, I could almost have believed it came from there, and was not earthly music.”

Wie het meesterwerk van Wordsworth gelezen heeft [het volgende stuk in mijn blog zal over hem gaan], herkent de toon onmiddellijk!

Bij zijn terugkeer naar Engeland ontdekt David eindelijk wie zijn werkelijke vriend is (Tommy Traddles, niet Steerforth) en wie voor hem de juiste vrouw is (Agnes, niet Dora).

Het centrale gegeven van het boek is Davids groei naar volwassenheid en wijsheid en het overwinnen van de obstakels die daarbij op zijn pad komen. Daarbinnen speelt de ontwikkeling van zijn schrijverschap (net als bij Dickens zelf voortkomend uit zijn journalistieke activiteiten) een grote rol. Dat dat laatste zonder meer succesvol is, wordt niet onder stoelen of banken gestoken: “I had advanced in fame and fortune, my domestic joy was perfect.”
Als Dickens in de persoon van David zijn eigen schrijverschap analyseert (ik heb hierboven betoogd dat we schrijver en hoofdpersoon niet zonder meer met elkaar gelijk kunnen stellen, maar wanneer het gaat om Davids creatieve proces als schrijver, zou het denk ik een te kunstmatige scheiding zijn om hier niet ook de schrijver Charles Dickens in terug te zien) legt hij alle nadruk op de noodzaak van werkkracht en discipline; dit is de nuchtere, efficiënte, zakelijke common sense kant van Dickens die ongetwijfeld van groot belang is geweest bij de ontwikkeling van zijn schrijverschap. Maar daarnaast had hij ook een intens-gedreven, maniakale kant in het nastreven van zijn roeping en het realiseren van zijn talent, zonder welke hij niet de schrijver geworden was die hij uiteindelijk werd en die komt in de persoon David Copperfield in het geheel niet aan bod. Het klinkt allemaal net iets te netjes en evenwichtig.

Misschien heeft Dickens David op deze manier neer willen zetten omdat hij beducht was voor die eenzijdige kant van hemzelf die hem vaak tegen beter weten in meegesleept heeft. En dat wordt door deze roman ook bevestigd: op vele plekken in het verhaal is sprake van relaties die juist in hun eenzijdige gerichtheid iets ongezonds krijgen omdat de personen in kwestie niet anders kunnen dan zich er helemaal aan overgeven, met alle negatieve gevolgen van dien. Davids liefde voor Dora heeft dat element, maar zeker ook zijn adoratie voor Steerforth, die hij volkomen verkeerd inschat (en Steerforth op zijn beurt wordt aanbeden door zijn moeder).
Er is Mr. Peggotty’s liefde voor zijn nichtje Emily die hem ertoe brengt zijn eigen leven op te geven en haar overal te gaan zoeken wanneer zij er met Steerforth vandoor is gegaan, wat misschien prijzenswaardig is, maar ook iets obsessiefs en bezitterigs heeft. Er is de blinde liefde van dr. Strong (bij wie David in Canterbury op school gaat) voor zijn veel jongere vrouw Annie, die hem ongeluk en verdriet brengt wanneer hij haar van overspel verdenkt (iets wat uiteindelijk op een misverstand blijkt te berusten).
En Mr. Wickfields onvoorwaardelijke toewijding aan zijn dochter Agnes die zeker (omdat hij daarmee gechanteerd wordt door Uriah Heep) bijdraagt aan zijn ondergang.

David, door schade en schande wijs geworden, is uiteindelijk helemaal vrij van dit soort aandoeningen. Maar wat er dan voor hem overblijft doet inderdaad wat braaf en zelfgenoegzaam aan. Het is alsof zijn strijd om zich los te maken van het lijden en de illusies van zijn kindertijd en jeugd hem al in zijn vroege volwassenheid zodanig heeft uitgeput dat hem enkel nog de comfortabele huiselijke haard rest, met zijn goede engel Agnes aan zijn zijde.
En toch val ook ik voor het slotaccoord van de roman, wanneer David, met Agnes in zijn armen, omhoog kijkt naar de maan en nu zijn hele leven tot dan toe, inclusief alle zijpaden en beproevingen, in perspectief kan zien. Hij is nu in staat het patroon te ontwaren waarin alle gebeurtenissen in een zinvol verband gerangschikt staan:
“Long miles of road opened out before my mind; and toiling on, I saw a ragged way-worn boy forsaken and neglected, who should come to call the heart now beating against mine, his own.”

Mooi toch?


Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *