
Dickens vond Martin Chuzzlewit, zijn zesde roman, het beste wat hij tot dan toe geschreven had. Eerder heb ik zijn debuut, The Pickwick Papers, gekarakteriseerd als een losse verzameling scènes en avonturen, niet een roman die één geheel vormt, met als meest voor de hand liggende reden voor dit euvel: de wijze van publicatie, namelijk als feuilleton in een krant, in losse afleveringen.
Naar eigen zeggen heeft hij deze problemen nu weten te vermijden: “I have endeavoured to resist the temptation of the current Monthly Number and to keep a steadier eye upon the general purpose and design.”
En dat ontwerp (design) was: te laten zien ‘in various aspects, the commonest of all vices.’ Egoïsme is de ondeugd (vice) die in zijn vele verschijningsvormen centraal staat in deze roman. “Self, self, self”, verzucht één van de hoofdpersonen al op één van de eerste bladzijden, “at every turn nothing but self!”
En inderdaad is de hoofdpersoon van deze roman, het titelpersonage Martin Chuzzlewit, zeker in het eerste deel, in sterke mate op zichzelf gericht, wat hem tot niet zo’n sympathieke figuur maakt. Hij steekt daarbij schril af tegen de weinige personages die wél altruïstisch zijn, zoals zijn huisgenoot Tom Pinch (die hij als een simpele ziel beschouwt en op wie hij neerkijkt) en zijn medereiziger Mark Tapley. Met deze laatste emigreert hij, nadat hij in conflict met zijn grootvader (die ook Martin Chuzzlewit heet) is gekomen, naar Amerika en hij ergert zich eraan dat Tapley tijdens de overtocht voortdurend hulp biedt aan de arme sloebers die zich beneden in het ruim ophouden.
Mark Tapley is de absolute tegenpool van Chuzzlewit: mijn favoriete personage in de roman. Hij blijft altijd optimistisch en tracht overal het beste van te maken; zijn doel in het leven (weer zo’n kenmerkende trek waarmee Dickens veel van zijn personages weet te karakteriseren) is zoveel mogelijk tegenslag aan te trekken en te lijden omdat het dan des te bewonderenswaardiger is om overeind te blijven en opgewekt te zijn. Hij is dan ook volkomen in zijn element op de plek waar ze terechtkomen: een waardeloos moerasachtig stuk land (‘Eden’ is de weinig toepasselijke naam) dat ze gekocht hebben van de zwendelaar Zephaniah (de naam van één van de oudtestamentische profeten) Scadder. Waar Chuzzlewit op de plek van bestemming aangekomen helemaal in zak en as is bij het zien van zijn waardeloze eigendom en zich te buiten gaat aan zelfmedelijden, gaat Tapley onmiddellijk aan de slag om een huis te bouwen en hulp te zoeken bij andere settlers.
De beschrijving bij aankomst op deze sombere, mistroostige plek, de wildernis in het achterland van de civilisatie die ons in New York getoond was en die daar volop geprezen werd, is een klein meesterwerkje:
“A flat morass, bestrewn with fallen timber, a marsh on which the good growth of the earth seemed to have been wrecked and cast away, that from its discomposing ashes vile and ugly things might rise; where the very trees took the aspect of huge weeds, begotten from the slime from which they sprang, by the hot sun that burnt them up: where fatal maladies, seeking whom they might infect, came forth at night, in misty shapes, and creeping out upon the waters, haunted the like spectres until day; when even the blessed sun, shining down on festering of corruption and disease became a horror. This was the realm of Hope through which they moved… The waters of the Deluge might have left it but a week before: so choked with slime and matted growth was the hideous swamp which bore that name.”
Dit is zo ongelofelijk suggestief; hier wordt een plek opgeroepen van rotting en verval, waar besmettelijke ziekten opstijgen uit de grond om de gezondheid van de avonturiers die het hebben gewaagd zich hier te settelen, te ondermijnen; ziekten die zelf een antropomorf karakter krijgen, als spookachtige wezens die hun prooi zoeken.
Martin wordt dan ook zo ziek dat hij bijna sterft; het is alleen aan Marks trouwe zorgen te danken dat hij het overleeft. Maar de ziekte brengt hem wel tot inzicht: ze bevrijdt hem van zijn verlammende egoïsme.
“In the hideous solitude of that most hideous place, with Hope so far removed, Ambition quenched and Death beside him rattling at the very door, reflection came and so he felt and knew the failing of his life and saw distinctly what an ugly spot it was.”
Maar deze omslag wordt nooit werkelijk op de proef gesteld: eenmaal terug in Engeland trouwt hij met zijn grote liefde Mary Graham (het eerdere veto van zijn grootvader op deze verbintenis was één van zijn voornaamste redenen om te emigreren) en erft hij het fortuin van de oude Martin: dingen die hem eigenlijk in de schoot geworpen worden. In tegenstelling tot de twee schurken van het verhaal, Pecksniff en Jonas Chuzzlewit, die beiden zeer vinding – en initiatiefrijk zijn, zet Martin Chuzzlewit vrijwel nooit zelf iets in gang. Hij is een apathische figuur, de dingen overkomen hem. Daarmee is hij één van de minder interessante hoofdpersonen van Dickens. Deze roman moet het niet van zijn hoofdrolspeler hebben en hangt daardoor toch wat scheef in zijn constructie, in weerwil van de overtuiging van Dickens zelf, dat hij een hechte plot in elkaar getimmerd had. De roman vormt een nogal amorf geheel. Waar het centrum van de vertelling wat inzakt, moet het verhaal het vooral hebben van de bewegingen op de flanken, waar zich subplots ontvouwen, met Pecksniff en Jonas Chuzzlewit als aanjagers. Beiden zijn virtuozen als het gaat om het bevredigen van hun egoïsme, waarbij overigens Jonas niet schroomt zijn misdadige karakter openlijk te laten zien, terwijl Pecksniff een hypocriet is, iemand die op kundige, want verborgen wijze zichzelf weet te verrijken en altijd alleen maar zijn eigen belangen behartigt door anderen te manipuleren, maar voor de buitenwereld geldt als een autoriteit op het gebied van moraal. Hij toont daarbij een ongekende inventiviteit en is met niet aflatende ijver voortdurend de regisseur van zijn eigen plot. Hij domineert iedere scène waarin hij voorkomt.
Centraal in die plot staan zijn pogingen om zich meester te maken van het fortuin van Martin Chuzzlewit senior (die familie is van hem); daartoe speelt hij de kleinzoon en de grootvader tegen elkaar uit en weet inderdaad totale controle te krijgen over de oude man. Daar lijkt het tenminste op; aan het einde van de roman wordt Pecksniff in het bijzijn van alle hoofdrolspelers totaal ontmaskerd door Chuzzlewit sr., die dus helemaal niet zo seniel is als hij leek. G.K. Chesterton noemt dit in zijn boek over Dickens een fout: Pecksniff is een lachwekkende figuur en dat is eigenlijk voor iedereen duidelijk (zelfs de goedgelovige Tom Pinch doorziet uiteindelijk het ware karakter van de man bij wie hij lange tijd in huis woonde). Waarom zoveel moeite gedaan om een man te ontmaskeren wiens masker al die tijd al volkomen transparant was?
En inderdaad is dit een zwakke scène (zoals eigenlijk de hele afwikkeling van de plot aan het einde van de roman zwak is; het verhaal zakt helemaal in elkaar na de dood van Jonas Chuzzlewit, waarover zo meteen meer), als de finale van een stuk van een inferieur toneelgezelschap, waarbij alle acteurs nog een keer naar voren moeten worden gehaald.
Maar het moet gezegd: zelfs als hij de volle laag krijgt van Chuzzlewit sr. blijft Pecksniff zijn welbespraakte zelf.

De eerste scène waarin we hem in zijn volle glorie zien, is bij het familieberaad van de Chuzzlewit familie. Geen van de familieleden komt daar echt uit de verf omdat het Pecksniff is die volkomen boven hen uittorent en het beraad geheel naar zijn hand zet.
Als één van hen, de oude Anthony Chuzzlewit (vader van Jonas) het waagt hem een hypocriet te noemen, is zijn antwoord waardig en superbe:
“Charity my dear [zijn oudste dochter], when I take my chamber candlestick tonight, remind me to be more than usually particular in praying for Mr. Anthony Chuzzlewit who has done me an injustice.”
Ik kan niet precies uitleggen waarom ik een zinnetje als het hier volgende, dat Pecksniff helemaal karakteriseert in zijn doen en laten en zijn wijze van spreken (oreren is het eigenlijk meer), zo geweldig vind:
“Why, the truth is, my dear, that I am at a loss for a word [Pecksniff is dat eigenlijk nooit, het is een retorische truc]. The name of those fabulous animals (pagan, I regret to say), who used to sing in the water, has quite escaped me.”
Uiteraard worden hier de sirenen bedoeld, maar het is vooral dat ‘pagan, I regret to say’ dat het zo geweldig maakt.
Behalve retorisch vaardig (met tal van religieuze verwijzingen, die uit de mond van een hypocriet als hij bepaald een dubbelzinnig karakter krijgen) is hij ook niet zelden pathetisch:
“You find me in my garden dress … Primitive, my dear Sir; for, if I am not mistaken, Adam was the first of all our calling [de eerste tuinman]. My Eve, I grieve to say, is no more, Sir, but I do a little bit of Adam still.”
Het is vooral als ik dit soort passages lees, dat ik denk: wat is die Dickens toch een fantastische schrijver!
Pecksniff is een groot prater die zich vooral uit in lange monologen waarin de woorden vooral gekozen worden met het oog op het effect dat ze creëren. Wanneer hij zijn jongste dochter ‘a playful warbler’ (zangeres) noemt, voegt Dickens daar fijntjes aan toe:
“It may be observed in connexion with his calling his daughter ‘a warbler’, that she was not at all vocal, but that Mr. Pecksniff was in the frequent habit of using any word that occurred to him as having a good sound and rounding a sentence well, without much care for its meaning… “
Het egoïsme van Jonas Chuzzlewit kent een meer sinister karakter. Als we hem voor het eerst zien is dat in de rol van de zoon die nu wel eens het familiefortuin wil opstrijken en vindt dat zijn 80-jarige vader al veel te lang geleefd heeft. Wat hem er niet van weerhoudt, wanneer deze eindelijk overlijdt, perfect de rol van de rouwende zoon te spelen. Hij trouwt de jongste dochter van Pecksniff, enkel om haar op wrede wijze te kunnen overheersen en pleegt uiteindelijk een moord op zijn zakenpartner Montague Tigg: bewust omhelst hij het Kwaad op een wijze die aan Macbeth doet denken, om tenslotte ten onder te gaan (hij pleegt zelfmoord) aan de, voor hemzelf waarschijnlijk ook onverwachte, gevoelens van angst en wanhoop die de daad bij hem teweeg brengen (een andere overeenkomst met Macbeth).
Montague Tigg is de tegenpool van Jonas. Waar deze laatste geen eigen plek kan vinden in de samenleving en zich daarom hetzij met een agressieve houding afreageert, hetzij zich terugtrekt en overgeeft aan zijn depressie, is Montague een man van de wereld. Waar Jonas die veracht, voelt hij zich erin thuis: bedenkt allerlei exhibitionistische rollen voor zichzelf, waarin hij als een kameleon van uiterlijk kan veranderen, zodanig zelfs, dat mensen die vroeger met hem te maken hadden, hem later niet meer herkennen (hij verandert zijn naam van Montague Tigg in Tigg Montague). Zijn persoonlijkheid is er één van vermommingen en acteren, van uiterlijke verschijning:
“His clothes, symmetrically made, were of the newest fashion and costliest kind… The brass was burnished, laquered, newly stamped; yet it was the true Tigg metal notwithstanding.”
Hij zet de zaken naar zijn hand met dubieuze zakendeals: de Anglo-Bengalee Life Insurance Company, een onderneming geheel en al zonder kapitaal die echter wel zijn cliënten grote sommen geld weet af te troggelen. Het is het eerste frauduleuze instituut in een Dickens roman en het zal in de volgende romans gevolgd worden door soortgelijke bedrijven en instituties: de firma Dombey and Son uit de gelijknamige roman, de Chancery Court in Bleak House en de Circumlocution Office in Little Dorrit; instellingen die de verrotte samenleving, die het mikpunt is van Dickens’ sociale kritiek, symboliseren.
Montague Tigg is een onverantwoordelijke bluffer die uiteindelijk in zijn eigen val loopt; zijn ondergang is dat hij Jonas Chuzzlewit niet goed weet in te schatten. Hij denkt dat hij hem om zijn vinger windt, hij krijgt hem zover dat hij investeert in zijn Life Insurance Company en chanteert hem met de wetenschap dat hij zijn vader heeft vergiftigd (wat uiteindelijk toch niet zo blijkt te zijn), maar wat hij niet goed door heeft, is hoe agressief en gewelddadig Jonas in wezen is.
Lang voordat de moord gepleegd wordt, is het al duidelijk dat de relatie tussen die twee er één is tussen een moordenaar en zijn slachtoffer. Talrijke details wijzen vooruit naar wat er komen gaat (tijdens een onweersrit in een koets lijkt Montague even in de oplichtende bliksem te zien dat Jonas zijn wijnfles omhoog houdt om hem op het hoofd te slaan; Jonas’ informeren bij dr. Jobling of je met een scalpel iemand de keel kan doorsnijden; Montagues droom waarin hij een deur tracht te barricaderen waarachter een naamloze gruwel huist; het contract dat Jonas tekent in rode inkt, wat hem aan bloed doet denken). Fantastisch en bloedstollend zoals Dickens dit opbouwt!
Moord was een gegeven dat Dickens buitengewoon fascineerde. Eén van de favoriete scènes bij de veelvuldige voordrachten die hij gaf uit eigen werk was de moord op Nancy door Bill Sykes in Oliver Twist. Als hij aan deze passage toekwam, raakte hij altijd opgewonden en zijn polsslag ging omhoog; er is zelfs wel gesuggereerd dat het veelvuldig voordragen hiervan heeft bijgedragen aan zijn voortijdige dood op 58-jarige leeftijd.
Of dat zo is weet ik niet; feit is wel dat de grote hoeveelheid publieke optredens (met name tijdens zijn Amerikaanse tournees) zijn gezondheid aanzienlijk verslechterd hebben. Maar hij moet verslaafd zijn geraakt aan de extatische menigten die hem toejuichten bij zijn voorlezingen; het is niet overdreven te stellen dat deze aan het eind van zijn leven voor hem belangrijker waren geworden dan het schrijven van romans.
Hoe dan ook, deze subplot is eigenlijk een verhaal, net als de Amerika passages, dat op zichzelf kan staan; er bestaat eigenlijk geen connectie tussen Martins avonturen en deze moordgeschiedenis.
Ook de nasleep is fascinerend: als Jonas de moord gepleegd heeft wordt hij geplaagd door een oververhitte verbeelding die hem de moord keer op keer doet herbeleven: “His hideous secret was shut up in the room and all its terrors were there; to his thinking it was not in the wood at all.” [Het was in een bos dat Jonas Montague Tigg heeft doodgeslagen, maar hij beleeft de moord telkens weer in die ene kamer die hij angstvallig gesloten houdt]. Het is als de geest van Banquo die uit het graf is herrezen en Macbeth voortdurend achtervolgt. Deze passages hebben een Dostojevski-achtige intensiteit, met eenzelfde inzicht in de psychologie van de misdadiger als de Russische schrijver had.

Merkwaardig genoeg geeft deze beleving aan Jonas een nieuw soort waardigheid. Niet dat hij een deugdzaam mens wordt nu hij steeds weer opnieuw beleeft wat hij gedaan heeft en berouwvol is hij ook niet, daartoe is hij niet in staat, maar het geeft hem een vorm van innerlijkheid die we bij de anderen niet terugvinden en hij maakt zeker, voordat hij zichzelf vergiftigt, een metamorfose door.
Het gedeelte dat in Amerika speelt is (qua omvang en qua samenhang) in feite een op zichzelf staande roman met een sterk satirisch karakter. Een nogal zure satire waarin Dickens klinkt als Jonathan Swift.
Toen hij had een jaar vrijaf kreeg van zijn uitgever (in 1842) besloot hij, eigenlijk net zo impulsief als Martin Chuzzlewit dat deed, naar Amerika te gaan. Uit The American Notes die hij schreef naar aanleiding van zijn bezoek blijkt dat hij zeer kritisch stond tegenover de Amerikaanse samenleving. En er is het één en ander uit die Notes, een jaar later, in Martin Chuzzlewit terecht gekomen. Als Martins schip bij aankomst in New York wordt overspoeld door krantenjongens die de New York Sewer aanprijzen, “upon the warves and among the shipping, on the deck and down in the cabins of the steamboat” – dan kun je in The American Notes nalezen dat dat ook daadwerkelijk gebeurde bij Dickens’ aankomst.
En hij heeft veel van zijn kritiek (vaak tot karikaturale proporties opgeblazen) in de roman verwerkt. Zo lezen we over Martins afkeer van het voortdurende spugen in het openbaar, de vraatzucht die de Amerikanen ten toon spreiden zodra zij aanvallen op hun maaltijd; het impertinente ondervragen van vreemdelingen, die, wanneer zij uit het moederland afkomstig blijken te zijn, gekapitteld worden over het gebrek aan vrijheid en gelijkheid daar, waarden die bij iedere Amerikaan juist hoog staan aangegeven (“The morbid hatred of you British to the Institutions of our country is astonishing”); de voortdurende patriottische borstklopperij, een pers die gaat voor propaganda en niet voor informatievoorziening en het verkrachten van de Engelse taal.
Dickens was succesvol in Amerika, zijn voordrachten werden zeer goed bezocht en overal waar hij kwam, was hij een gevierd man, maar hij moet de Amerikanen zeker ook geïrriteerd hebben met zijn ongezouten kritiek op hun land. Dickens’ vastbeslotenheid zich uit te spreken had iets bewonderenswaardigs, maar erg tactvol was hij niet; hij stootte zijn gastheren voortdurend voor het hoofd.
The American Notes kreeg in Amerika dan ook de slechtste kritiek die Dickens in zijn leven gehad moet hebben. En die kritiek werd op de man gespeeld: Dickens was ‘a conceited (verwaande) cockney’, die zijn leven had doorgebracht in ‘the stews of London’; hij was ‘fit only to associate with dancing monkeys’.
Uit alles blijkt dat Dickens de Amerikaanse samenleving gewelddadig en ongeciviliseerd vond. Alles wordt geregeerd door de dollar, alle gesprekken draaien erom: “All their cares, hopes, joys, affections, virtues and associations seemed to be melted down into dollars. Whatever the chance contributions that fell into the small cauldron of their talk, they made the gruel thick and slab with dollars. Men were weighted by their dollars, measures gauged by their dollars, life was auctioneered, appraised, put up and knocked down for its dollars”
Groot is de hypocrisie bij het uitdragen van hun waarden: vrijheid, democratie en gelijkheid worden verdedigd, maar tegelijkertijd willen diezelfde pleitbezorgers niets weten van de afschaffing van de slavernij. En Dickens hield daarover zeker niet zijn mond: hij prikte door de illusie heen, die hem werd voorgehouden, namelijk dat de meeste slaven toch netjes behandeld werden en sprak zich uit, zoals hij dat in Engeland gedaan had tegen de kinderarbeid in de fabrieken (die hij zelf trouwens aan den lijve had ondervonden).
Dickens hekelt in Martin Chuzzlewit het pompeuze karakter van al die speeches waarin Amerika’s unieke waarden, haar politieke en morele idealen, worden verdedigd. Zoals hier Hannibal Chollop, een gewelddadige settler, die met in de ene hand een mes en in de andere een pistool, uitroept: “We are the intellect and virtue of the airth (Dickens parodieert voortdurend het taalgebruik van de Amerikanen), the cream Of human natur’ and the flower Of moral force.”
Tot zover Amerika.
We hebben het nog niet over Sairey Gamp gehad, een personage dat in feite nauwelijks deel uitmaakt van de plot maar met haar extravagante verschijning en dito taalgebruik toch de show steelt. Ik heb over Pecksniff gezegd dat hij iedere scène waarin hij optreedt moeiteloos domineert, maar dat geldt in zelfs nog sterkere mate voor Sairey Gamp. Er is in heel het werk van Dickens nauwelijks een komisch personage te vinden dat even geslaagd is en evenveel indruk maakt al mevrouw Gamp (Maarten ’t Hart noemt haar zelfs zijn grootste creatie). Ze heeft een indrukwekkende fysieke presentie die in rijke, vettige kleuren geschilderd wordt: als een oudere dame met overgewicht, een rode neus, schorre stem en vochtige ogen, die evenzeer gekarakteriseerd wordt door haar attributen: haar verschoten zwarte mantel, met bijpassende omslagdoek en hoed; maar bovenal haar paraplu, die welhaast een zelfstandig leven lijkt te leiden (“The umbrella with the circular patch was particularly hard to gt rid of and several times thrust out its battered brass nozzle from improper crevices and chinks, to the great terror of the other passengers” Even later leek het net alsof er niet één, maar wel vijftig paraplu’s waren, voegt Dickens ook nog toe).
Eén van haar entrees wordt als volgt beschreven:
”At the same moment a peculiar fragrance was borne upon the breeze, as if a passing fairy had hiccoughed and had previously been to a wine vaults.”
We komen haar voor het eerst tegen als Anthony Chuzzlewit sterft en zij er (door Pecksniff) bij gehaald wordt voor de afwikkeling van de beslommeringen rondom de uitvaart. (Die uitvaart levert ons ook weer een gedenkwaardig personage op: de begrafenisondernemer Mould.) Maar ze assisteert evenzeer bij bevallingen en verzorgt zieken, staat dus dichtbij zowel de dood als het ontstaan van nieuw leven. We zien haar dan ook voortdurend in actie (wel altijd met de fles binnen handbereik, want ze houdt van een slokje), wat haar een voordeel geeft boven Pecksniff, die andere show-steler: de architect die nooit iets bouwt, maar voortdurend aan het woord is.
Zowel Sairey Gamp als Pecksniff houden graag lange monologen en ook Mrs. Gamp heeft een neiging tot het aanhalen van misplaatste Bijbelcitaten (“Rich folks may ride on camels, but it ain’t so easy for them to see out of a needle’s eye”); verder zit ze vol van smakelijke anecdotes die bijna altijd verband houden met wat ze in haar professie meemaakt:
“I never see a poor dear creetur took so strange in all my life, except a patient much about the same age, as I once nussed, which his calling was the custom’us and his name was Mrs. Harris’ own father, as pleasant a singer, Mr. Chuzzlewit, as you ever heard, with a nose like a Jew’s harp in the bass tones, that it took six men to hold at such times, foaming frightful.”
Haar manier van spreken, waarvan dit een kenmerkend voorbeeld is, heeft een geheel eigen, vaak onnavolgbare stijl: lange zinnen, waarin de bijzinnen alle kanten op bewegen, vol betekenisassociaties en ambiguïteit, vaak, zoals hierboven, abrupt eindigend. Ik vind het soms moeilijk uit te maken wat ze nu werkelijk zegt, haar zinnen hardop herhalen helpt daarbij.
De Mrs. Harris die hierboven aangehaald wordt is een verzinsel van Sairey, vaak de conversatie binnengehaald om haar eigen ego op te krikken, want steevast eindigend in een compliment aan haar eigen adres: “’Mrs. Gamp”, she says, “if ever there was a sober creetur to be got at eighteen pence a day for working people and three and six for gentlefolks – night watching being an extra charge – you are that inwalable person”’
Het lijkt een tamelijk goedkope kunstgreep, maar Dickens weet wel veel variatie in die denkbeeldige dialogen aan te brengen en ze steeds ingenieuzer te maken.
Soms ook spreken beide dames, de echte en de fictieve, hun onderlinge solidariteit uit: de verbinding van twee Victoriaanse vrouwen uit de onderklasse met elkaar:
“’But’, says Mrs. Harris, the tears filling in her eyes, ‘you knows much betterer than me, with your experienge, how little puts us out. A Punch show’, she says, ‘a chimbley sweep, a newfunlandog, or a drunken man a-comin’ round te corner sharp, may do it.’ ‘So it may’, said ’Mrs. Gamp, ‘there’s no deniging of it.’”
(Maarten ’t Hart wijst erop, dat Dickensbewonderaar Dostojevski deze truc heeft over genomen: in de Idioot laat hij ene generaal Ivolgin ook steeds vertellen over een man die niet bestaat).
Nadat een collega haar in het gezicht heeft gegooid dat die Mrs. Harris van haar waarschijnlijk helemaal niet bestaat, is ze de rest van de roman helemaal van slag…
Alleen al Sairey Gamp maakt het lezen van Martin Chuzzlewit de moeite waard. (Veel mensen die het boek gelezen hebben, zullen als ze daaraan terugdenken, in de eerste plaats aan Sairey Gamp terugdenken, terwijl ze toch betrekkelijk weinig in het verhaal voorkomt. (Iets dergelijks geldt ook voor de geweldige Mr. Micawber in David Copperfield).
Haar creatie is opnieuw een bewijs voor wat misschien wel de grootste kwaliteit is van Dickens als romanschrijver: het scheppen van levensechte personages van vlees en bloed, die zo gedenkwaardig zijn dat ze nooit meer uit je geheugen verdwijnen. Hij heeft dat gemeen met Shakespeare, over wie hij ooit zei in een speech ter gelegenheid van diens verjaardag (23 april):
“We meet on this day to celebrate the vast army of living men and women [nl. de characters van Shakespeare] who will live forever with an actuality greater than that of the men and women whose external forms we see around us.”
Peter Ackroyd, in zijn ronduit geweldige Dickensbiografie, haalt deze woorden aan en voegt er dan aan toe dat we datzelfde kunnen zeggen van de geboortedatum van Dickens (7 februari 1812):
“In this small bedroom in Portsmouth, there was born on this February day Pecksniff and Scrooge, Oliver Twist and Sairy Gamp, Samuel Pickwick and Nicholas Nickleby, Pip [uit Great expectations] and David Copperfield, Miss Havisham [idem] and Little Nell; the Artful Dodger [uit Oliver Twist], mr. Gradgrind [Hard Times] and Little Dorrit; Paul Dombey, Fagin and Edwin Drood, Uriah Heep, Tommy Traddles and Wilkins Macwaber [allen David Copperfield]; Sam Weller en Tiny Tim, Barnaby Ridge and Bill Sykes, all of them tumbling out into the light.”
Om vervolgens de schatting te maken dat Dickens bij elkaar zo’n slorige 2000 characters geschapen heeft, “born with Dickens, but not dying with him, living on forever.”
Wat een imposante galerij inderdaad – en de personages in Martin Chuzzlewit horen niet tot de minsten van hen.
Wat niet wegneemt dat de roman als geheel onevenwichtig is. Je kan eigenlijk geen structuur bedenken waarin naast de picareske zwerftochten van de jonge Martin en de psychologische subplot van Jonas en Montague (voor mij het hoogtepunt van het boek) ook de zure satire van de Amerikaanse hoofdstukken (op zichzelf staand zeer geslaagd), de monologen van Pecksniff en de klucht van Sairey Gamp een rol spelen. De roman is ook wel omschreven als ‘zestig personages (het gemiddelde aantal dat in een Dickens roman tot leven komt) op zoek naar een verhaal’. Of zoals John Lucas het noemt in zijn Dickens studie The melancholy man: “something of a marvellous mess.”
Van die personages zijn er maar weinig die je positief of sympathiek zou kunnen noemen (één van de redenen dat het boek bij publicatie niet erg aansloeg). Je kunt Mark Tapley noemen en Tom Pinch. Van de vrouwelijke personages Mary Graham en Toms zuster Ruth Pinch; maar die beiden zijn dan helaas weer een voorbeeld van Dickens’ onvermogen om aardige, goede meisjes weer te geven; als ze onaardig zijn, zoals in dit boek de beide dochters Pecksniff (“Mercy and Charity, not unholy names I hope”), slaagt hij veel beter.

Met name Ruth Pinch is het vroegste voorbeeld van een serie huishoudster-heldinnen, gemodelleerd naar Dickens’ schoonzuster Georgina Hogarth die het huishouden deed voor de familie Dickens en die hem zo deed denken aan zijn overleden en door hem geadoreerde zus Mary. Deze vrouwen cijferen zichzelf geheel weg voor hun mannelijke metgezellen (in het geval van Ruth haar broer en het zal na haar huwelijk ongetwijfeld ook gebeuren t.o.v. haar echtgenoot John Westlock, maar daar horen we niets meer van, want dan is de roman al afgelopen). Ook in de romans die hierna volgen komen we dit type vrouw tegen: Agnes in David Copperfield, Esther in Bleak House en Little Dorrit in het gelijknamige boek: het was Dickens’ ideaal van de passieve, gehoorzame helpster die de man fysieke en geestelijke support geeft op zijn levensweg en daarvoor niets terug verlangt. Dergelijke personages zijn bepaald een tekortkoming in Dickens.
En ik heb het al gezegd: de titelheld is volkomen oninteressant; de boeiendste figuren in de roman zijn figuren met wie je in het dagelijks leven misschien niet graag te maken zou hebben: de koppige grootvader Chuzzlewit (die overigens in het laatste deel van het boek een metamorfose heeft ondergaan: hij is daar een grootmoedige oude man geworden die bereid is de jongere generatie met zijn financiële middelen te ondersteunen), de oude vrek Anthony Chuzzlewit, de glibberige Pecksniff, de angstaanjagende Jonas en de bedrieger Montague Tigg.
Of neem de privé detective Nadgett, in dienst van Tigg met de opdracht Jonas Chuzzlewit niet uit het oog te verliezen; door hem komt de moord op zijn werkgever dan ook aan het licht. Hij wordt als volgt omschreven:
“a short, dried up, withered old man, who seemed to have secreted his very blood; for nobody would have given him credit for the possession of six ounces of it in his whole body.” Ook geen prettig personage dus, maar wel mooi geschreven, als een schaduw die steeds ongemerkt door het beeld komt glijden.
Zelfs Sairey Gamp is geen prettig mens; ze heeft vaak een slecht humeur, houdt net wat teveel van een slokje en is eigenlijk vooral op haar eigen voordeel uit.
Old Martin verzoekt haar huisbaas, Poll Sweedlepipe, wat woorden van advies aan haar over te brengen, “hinting at the expediency of a little less liquour and a little more humanity and a little less regard for herself and a little more regard for her patients and perhaps a trifle of a additional honesty.”
Maar Sairey Gamp is zo’n grote creatie en zo’n imposante komische verschijning dat het moeite kost om haar te zien in het verlengde van het hoofdthema van de roman, dat van egoïsme en geldzucht.
Martin Chuzzlewit kent een aantal op zichzelf staande passages die we tot zijn beste werk kunnen rekenen, een grote rijkdom aan beeldspraak en enkele van zijn meest gedenkwaardige personages; desondanks reken ik dit boek nog niet tot de zes á zeven werkelijk grote romans van Dickens; daarvoor heeft het boek toch teveel tekortkomingen.
Ik ben begonnen met The Pickwick Papers. De vier romans die dan volgen heb ik overgeslagen: niet interessant genoeg. Vanaf nu, te beginnen met de volgende te behandelen roman, Dombey and Son, wordt het alleen maar beter.
Geef een reactie