Marcel Proust (1871-1922) behoort voor mij, met James Joyce en Franz Kafka, tot de drie grootste schrijvers van de 20e eeuw.

(Joyce en Proust hebben elkaar één keer ontmoet tijdens een diner in Parijs waar ook Stravinsky en Picasso aanwezig waren. Dat was in mei 1922, een half jaar voordat Proust overleed en kort na de publicatie van zowel Ulysses als Sodom en Gomorra deel II, het laatste deel van Prousts romancyclus dat bij zijn leven zou verschijnen – de volgende drie delen verschenen postuum. Joyce had wel een paar pagina’s Proust gelezen, maar vond het niets bijzonders; Proust had nog nooit van Joyce gehoord. Ze wisselden slechts een paar woorden uit: Proust klaagde over zijn spijsvertering, Joyce over zijn hoofdpijnen – passende conversatie voor de scheppers van respectievelijk Charles Swann en Leopold Bloom, romanpersonages die geplaagd worden door vele fysieke ongemakken).

Over de persoon Marcel Proust, maar ook over zijn werk (dat vooral bestaat uit de monumentale, zeven delen en een slordige 3.300 pagina’s omvattende roman A la recherche du temps perdu; in het Nederlands: Op zoek naar de verloren tijd – Proust vergeleek de indrukwekkende constructie van zijn romancyclus graag met een Middeleeuwse kathedraal) bestaan de nodige clichébeelden en misverstanden. Proust zelf wordt vaak omschreven als een wereldvreemde dandy en eenzelvige estheet. Nu klopt het inderdaad dat één van zijn favoriete bezigheden het frequenteren van de Parijse salons was, alsook het bijhouden van de laatste roddels over de mondaine jetset.
Ooggetuigen beschrijven hem echter ook als een erudiet man, charmant en met een groot gevoel voor humor én een grote belangstelling voor de culturele en politieke ontwikkelingen van zijn tijd. Dat hij een estheet was klopt ook, hij had oog voor alles wat schoonheid bevat en doet daar op eloquente wijze verslag van in zijn romancyclus; je zou zelfs kunnen zeggen dat schoonheid daarin één van de centrale thema’s is. Bij de hoofdpersoon van het eerste deel van de cyclus, de kunstminnaar Charles Swann, die veel trekken heeft van Proust zelf, lijken de kunst en het echte leven naadloos in elkaar over te lopen wanneer hij verliefd wordt op Odette omdat haar gezicht hem doet denken aan één van de vrouwenfiguren op een fresco van Botticelli in de Sixtijnse kapel…

Wereldvreemd was Proust allerminst, ondanks zijn zelfgekozen isolement. Vanwege zijn astma leidde hij, zeker in de laatste jaren van zijn leven, van het einde van de Eerste Wereldoorlog tot aan zijn dood in 1922, een kluizenaarsbestaan. Het schrijven van zijn romancyclus heeft hem, zeker in het laatste stadium, enorm veel kracht gekost; gezien zijn zwakke gezondheid moet hij het completeren ervan als een race tegen de tijd hebben gevoeld.
Hij schreef voornamelijk in bed, onder een stapel dekens, kouwelijk als hij was, weggedoken in een dikke jas met een kraag van otterbont. En dat bij voorkeur ‘s nachts; wilden zijn vrienden hem bezoeken dan mochten zij zich ook pas na middernacht aandienen. Zijn kamer was geluiddicht gemaakt door de muren te betimmeren met kurk. Zijn huis was aan de drukke boulevard Haussmann die een wirwar van allerhande voertuigen te zien gaf: straatventers met handkarren, paard -en wagens, de paardentram (die al snel vervangen zou worden door een elektrische tram) en ook al een flink aantal automobielen. Je kunt je helemaal voorstellen wat een herrie dit veroorzaakte: stampende paardenhoeven en ronkende motoren, het belgerinkel van de trams en het roepen van de straatverkopers. Bovendien was het belle époque een tijdperk van voortdurende stadsvernieuwing, er vonden in zijn buurt altijd wel ergens werkzaamheden plaats: stratenmakers, de verbouw van een pand ergens verderop, de aanleg van sanitair en elektrische verlichting binnenshuis…
Om alle geluiden zo veel mogelijk buiten te sluiten had Proust dubbele ramen met dikke gordijnen die altijd dicht waren; ook de luiken aan de buitenkant waren vrijwel voortdurend gesloten.
(Dit illustreert overigens duidelijk dat we de verteller van de Recherche nooit met Marcel Proust de schrijver moeten verwarren. Die verteller geniet juist van al die straatgeluiden die door zijn ramen het huis binnendringen, hij duidt het aan met muzikale termen, spreekt van een ‘oorverdovende reveille met muziek’ en wanneer zijn vriendin Albertine hem vraagt of ‘al die straatgeluiden hem niet hinderen’, antwoordt hij met een hartgrondig ‘Nee!’.)
Of zijn reactie op het geronk van een automobiel, beneden zijn raam, wanneer hij ‘s ochtends nog op bed ligt. “Ik rook zijn benzinelucht”, zegt hij dan en die lucht roept bij hem beelden op van klaprozen in het veld, bedwelmt hem ‘als een landelijke geur’.
“Een geur die ieder ogenblik gepaard ging met de toeterende roep van langsrijdende automobilisten: ‘Parijzenaar, sta op, kom dejeuneren op het land en roeien op de rivier, in de schaduw van de bomen, met een mooi meisje…”
Een idyllisch beeld, waar voor veel van zijn tijdgenoten de auto toch een bederver van het platteland was met zijn lawaai en benzinegeur…
“De automobiel brengt zelfs een zieke waar hij heen wil”, schrijft Proust in Sodom en Gomorra, het deel van de Recherche waarin het nieuwe vervoermiddel zijn intrede doet.

Toch, ondanks zijn isolement, stond Proust wel degelijk in verbinding met de wereld om hem heen. Als het enigszins mogelijk was bezocht hij salons en soirees waar hij allerhande mensen ontmoette en m.b.v. kranten en tijdschriften was hij goed op de hoogte van wat er in de wereld gaande was. Hij leefde in een snel veranderende wereld, wat in de romancyclus, die verschillende decennia beslaat, gereflecteerd wordt in de opkomst van nieuwe technologische ontwikkelingen als de automobiel (die in de loop van de roman de rijtuigen en koetsjes uit het begin komt te vervangen), het vliegtuig en de telefoon – Proust fantaseert zelfs over het gebruik van een beeldtelefoon. Hij was zeer geïnteresseerd in dat soort ontwikkelingen en de beelden die hij gebruikt bij het beschrijven ervan zijn vaak prachtig en buitengewoon origineel. Zo omschrijft hij de telefonistes van de telefooncentrale als ‘Danaïden van het Onzichtbare, die onophoudelijk de duistere urnen van het geluid legen, vullen en aan elkaar doorgeven’, daarmee, zoals hij veel vaker doet, de moderne tijd en het mythische verleden met elkaar verbindend.

Hoewel Proust dus zeker geen ouderwetse reactionair was en heel enthousiast kon reageren op de technologische vernieuwingen van zijn tijd, was hij wel beducht voor een zekere ‘verplatting’ van de samenleving als gevolg van de overal om zich grijpende modernisering. Hij was geen gelovige katholiek, maar hechtte wel veel belang aan het behoud van het katholieke erfgoed, aan de eeuwenoude kerkelijke rituelen die bedreigd werden door een overal om zich heen grijpende ‘onttovering’. Hij schreef een opiniestuk in de Figaro, La mort des cathédrales, n.a.v. de afgekondigde scheiding van Kerk en Staat (de laïcité, die sindsdien leidend is geweest voor het Franse openbare leven), waarin hij de vrees uitsprak dat kerken en kathedralen verwaarloosd en verkocht zouden worden, wanneer de Staat de zorg daarvoor niet op zich zou nemen (iets wat in 1913 gelukkig wel bij de wet geregeld werd). Er zou dan een vorm van bezieling verloren gaan waaraan Proust (als ongelovige) grote waarde toekende.

In samenvattende omschrijvingen wordt A la recherche du temps perdu vaak gekarakteriseerd als een werk waarin de auteur zijn kindertijd op het Franse platteland probeert op te roepen en daarbij tegelijkertijd verslag doet van zijn wording als schrijver. Wat hij aan het einde van zijn grote roman ook inderdaad geworden is: de verteller Marcel zet zich dan aan wat de eerste bladzijden zullen worden van het gigantische werk dat wij zojuist uitgelezen hebben, waarmee hoofdpersoon, schrijver en verteller eindelijk samenvallen. De slang die in zijn eigen staart bijt! Harold Bloom wijst erop dat het model voor deze conceptie Dante’s Divina Commedia is, waar aan het slot van deel III, Paradiso, het personage Dante de Pelgrim en de dichter Dante één worden.

Maar in wezen is A la recherche du temps perdu een roman over zo’n beetje alles wat je maar kunt bedenken.

Ook actuele politieke ontwikkelingen interesseerden Proust en kwamen in zijn roman terecht. De Dreyfus-affaire bijvoorbeeld, het politieke schandaal rondom de ten onrechte van verraad beschuldigde legerofficier Alfred Dreyfus, die werd verbannen naar Duivelseiland, de beruchte strafkolonie voor de kust van Frans Guyana.
Voor Proust was dit aanleiding om als persoon actief stelling te nemen: hij was één van de eerste ondertekenaars van een petitie waarin een aantal Franse intellectuelen vroeg om revisie van het vonnis en hij was aanwezig bij het door de staat aangespannen proces tegen zijn collega Emile Zola, die met zijn pamflet J’accuse een felle verdediging van Dreyfus had geschreven. Binnen het fictionele kader van zijn roman was de Dreyfus-affaire voor Proust aanleiding om de mechanismen van racisme en antisemitisme bloot te leggen. (Overigens werd Dreyfus in 1899, na een lang juridisch steekspel, vrijgesproken.)

De Franse adel is in de ogen van Proust bij uitstek de maatschappelijke klasse die zich bezondigt aan antisemitisme. In zijn portret van de hertog van Guermantes, een antisemiet van het zuiverste water, lijkt hij het clichébeeld van de jood, zoals dat in zijn tijd in spotprenten getekend werd, de kapitalist met een dikke sigaar in de mond, een zware, inerte vleesmassa die bovenop een stapel bankbiljetten en goudstaven troont, een halve slag te draaien:
“Naast Mme de Villeparisis was, groot en olympisch, M. de Guermantes log neergezeten. Het leek of de in al zijn leden alomtegenwoordige notie van zijn vele rijkdommen een buitengewone densiteit gaf aan die man die zoveel waard was. Toen ik hem goedendag zei verhief hij zich beleefd van zijn zetel en ik was me bewust van de inerte compacte massa, groot dertig miljoen, die de aloude Franse opvoeding in beweging bracht, omhoog duwde en voor mij overeind hield.”

Wanneer Charles Swann, als enige Jood lid van de exclusieve Jockeyclub, zijn steun heeft betuigd aan de groep die Dreyfus verdedigt, verklaart de hertog dat hij zich nooit had voor kunnen stellen dat iemand als Swann, ‘zo’n fijnproever als hij, een collectioneur, een vriend van oude boeken, die ons de beste port stuurde die je je wensen kan’ zo’n standpunt zou kunnen innemen. “Ja, na de vriendschap die mijn vrouw hem altijd heeft bewezen, had hij niet solidair met ze [de Joden] mogen blijven.” Waarna Proust fijntjes toevoegt dat ‘het veroordelen van Dreyfus wegens hoogverraad blijkbaar een vorm van dank inhield voor de manier waarop men in de faubourg Saint Germain was ontvangen…’

Voorts weet Proust aan te tonen hoe xenofobie (in dit geval in de vorm van antisemitisme) werkt: Joden (zoals bijvoorbeeld Marcels Joodse vriend Bloch) worden geaccepteerd zolang ze er Joods uitzien. Hoewel ze ook dan bespot en gekleineerd worden; in een ironische passage schrijft Proust over ‘een Israëliet die zijn entree maakt alsof hij rechtstreeks uit de woestijn komt, zijn lichaam voorovergebogen als een hyena, zijn nek schuin naar voren gestrekt, zich uitputtend in diepe salams…’
Wat de antisemiet echter het meest vreest, is dat hij de Ander niet als een Ander zal herkennen. Naarmate de Franse Joden stegen op de maatschappelijke ladder en volledig integreerden in de Franse samenleving, waren ze ook niet langer zichtbaar als minderheid en daarmee des te gevaarlijker.
(Ieme van der Poel maakt in haar mooie boek De tijdmachine van Proust, waaraan ik veel ontleend heb voor dit stuk, een treffende vergelijking met de roman Light in August van William Faulkner, die speelt in een dorp in het zuiden van de Verenigde Staten. De bevolking daar koestert een buitengewone haat jegens een witte Afro-Amerikaan die ze niet kunnen herkennen aan zijn huidskleur en daarom als bedreigend ervaren.)
Bloch wordt afgeschilderd als pittoresk en daarom ongevaarlijk, juist omdat hij er zo Joods uitziet; het gevaar zit hem in al die ‘verfranste’ Joden…

Ook de Eerste Wereldoorlog krijgt een plek in het werk van Proust (het laatste deel van de cyclus, le Temps retrouvé, speelt zich af tijdens de oorlog): in plaats van de loopgraven en het slagveld, in veel contemporaine romans over de Grote Oorlog plaats van handeling, kiest Proust voor het verduisterde Parijs in de oorlogsjaren en beschrijft hij hoe de inwoners van de stad bij Duitse bombardementen hun heil moeten zoeken in kelders of in het gangenstelsel van de metro; hij creëert in zijn beschrijvingen een uitgebreide ‘soundscape’ van Parijs in oorlogstijd met de sirenes van het luchtalarm, de aanhoudende herrie van de vliegtuigen en het ratelen van het afweergeschut.
Maar ook: Parijs wordt gebombardeerd; de woensdagavondsoirées bij de Verdurins gaan iedere week gewoon door. En Proust zou Proust niet zijn wanneer hij de verteller, staande op het balkon tijdens een luchtaanval met zijn vriend Robert de Saint Loup, niet ook een zeker esthetisch genot zou laten ontlenen aan het waargenomen spektakel dat (Proust was een groot Wagner-liefhebber) Saint Loup als ‘wagneriaans’ omschrijft en dat vooruit lijkt te lopen op de film Apocalypse Now, waarin helikopters onder begeleiding van Wagners Walkürenrit een Vietnamees dorp aanvallen : “Je ging je haast afvragen of het wel de vliegeniers waren en geen Walküren die daar opstegen. Ja, de muziek van de sirenes was me daar een Walkürenrit!! Er is waarachtig de komst van de Duitsers voor nodig om Wagner de kunnen horen in Parijs.” (Na de Franse nederlaag in de Frans-Duitse oorlog van 1870-71 was Wagners muziek slechts zeer sporadisch te horen in Frankrijk).

Verwijzingen naar de gruwelen van de Eerste Wereldoorlog zijn er slechts indirect, zoals in een brief van Gilberte (de dochter van Swann) die beschrijft hoe de lieflijke omgeving van Combray (de plek waar de verteller in zijn jeugd zo graag verbleef) door het oorlogsgeweld onherkenbaar is geworden:
“Het weggetje waar u zo van hield is bij de gevechten van een niet te omschrijven betekenis geweest… het bruggetje over de Vivonne is door de Fransen opgeblazen… anderhalf jaar lang hebben de Duitsers de ene helft van Combray en de Fransen de andere helft in handen gehad…”

Proust kende grote waarde toe aan de herinnering. Naar zijn idee liggen onze herinneringen op de bodem van onze ziel, we kunnen hen niet bewust oproepen. Ze overvallen ons, meestal wanneer bij toeval een gebeurtenis of een voorwerp in het heden associaties oproept aan belevenissen en gevoelens uit het verleden. Proust spreekt in dat verband van een ‘onwillekeurige herinnering’ (mémoire involuntaire). In de loop van de Recherche beleeft de verteller een aantal essentiële episodes uit zijn verleden opnieuw – en iedere keer is de aanleiding een concrete gebeurtenis, een zintuiglijke, en dus lichamelijke, sensatie. Met om te beginnen het beroemde moment uit het eerste deel (Du côté de chez Swann), waarbij de verteller zijn koekje, een madeleine, doopt in de thee en naar aanleiding daarvan een stoet herinneringen zich aandient aan het huis van zijn grootouders in Combray. “Heel Combray en omgeving kwam tevoorschijn uit mijn kopje thee.”

De kunstenaar, de schrijver, is in staat het verleden te herscheppen door het totaal aan herinneringen om te vormen tot een kunstwerk.

Proust benadrukt geregeld de lichamelijke oorsprong van dit herinneringsproces. De Recherche opent met een passage waarin de verteller zich tussen waken en slapen bevindt en herinneringen heeft aan verschillende kamers waar hij in het verleden de nacht heeft doorgebracht. Het lichaam functioneert daarbij als een soort van geheugen: “het geheugen van zijn ribben, zijn knieën, zijn schouders, liet achtereenvolgens een aantal kamers zien waarin het geslapen had…”

Natuurlijk neemt de geest het vervolgens over, maar de geest wordt a.h.w. aangestuurd door de zintuigen. Het lichaam herinnert zich, waaraan het denkende (en in Prousts geval: schrijvende) Ik dan de bijbehorende woorden toevoegt.

Het volgende, buitengewoon scherpzinnige citaat heeft daar mee te maken:
“Want de waarheden die het intellect direct begrijpen kan in de wereld van het volle licht, zijn minder diepzinnig en noodzakelijk dan die waarheden die het leven met ons communiceert tegen onze wil in, door middel van een impressie die in de eerste plaats materieel is omdat deze via de zintuigen binnen komt, maar bovenal een spirituele betekenis heeft die we daaruit kunnen afleiden.”

Het is zo’n soort betekenis die de verteller op het spoor komt wanneer hij zijn intrek neemt in het Grand Hotel van Balbec (in werkelijkheid de Normandische badplaats Cabourg), waar hij als kind vaak gelogeerd heeft. Wanneer hij zich op zijn kamer voorover buigt om zijn schoenen uit te doen, wordt hij overweldigd door een groot verdriet. Hij herinnert zich dan dat hij, toen hij als kleine jongen met zijn grootmoeder hier logeerde, zich even verdrietig voelde als nu. Zijn grootmoeder sloeg haar armen om hem heen en hielp hem met het uittrekken van zijn schoenen. (Hij was in paniek geraakt bij de gedachte alleen in een vreemde kamer te moeten slapen; de angst om niet te kunnen slapen wanneer je niet in je eigen, vertrouwde bed ligt, is een motief dat geregeld terugkeert in de Recherche. Ook voor Proust persoonlijk, niet alleen als kind, maar ook nog als volwassene, was dit een lastig iets). Doordat hij nu onbewust vrijwel dezelfde houding als toen heeft aangenomen, wordt hij ook weer voor even de kleine jongen van toen. En: nu begrijpt hij pas goed wat de dood van de grootmoeder voor hem betekent: nooit meer zal hij haar liefdevolle gezicht voor zich zien.

“Ik had mij zo-even, in mijn herinnering, gebogen over mijn zwakte, het tedere, bezorgde en mismoedige gezicht van mijn grootmoeder gezien, zoals ze was die eerste avond na onze aankomst; het gezicht van mijn grootmoeder, niet van degene om wie ik tot mijn verbazing en zelfverwijt zo weinig rouwde en die alleen haar naam droeg, maar van mijn ware grootmoeder die ik in al haar levende werkelijkheid, voor het eerst sinds die middag op de Champs-Elysées waar ze haar attaque had gehad, terugzag in een onwillekeurige en volledige herinnering. Die werkelijkheid bestaat niet voor ons zolang zij niet door onze gedachten wordt herschapen; en zo, in een wild verlangen mij in haar armen te werpen, vernam ik nu pas – meer dan een jaar na haar begrafenis – dat ze dood was. Ik had sedertdien vaak over haar gesproken en ook aan haar gedacht, maar achter mijn woorden en gedachten van ongevoelige, hardvochtige, egoïstische jongeman had nimmer iets gelegen dat op mijn grootmoeder leek, doordat ik in mijn lichtzinnigheid, mijn genotzucht, mijn gewenning aan haar ziek-zijn, alleen nog in virtuele staat de herinnering bezat aan wie zij was geweest…
… En nu diezelfde behoefte weer terugkwam [de behoefte haar te omhelzen] wist ik dat, al wachtte ik uren en uren, zij nooit meer bij me zou komen, het was net pas tot me doorgedrongen omdat ik zo-even, door haar, voor het eerst, als zo levend, zo echt te ervaren dat mijn hart tot brekens toe volschoot, had vernomen dat ik haar voorgoed had verloren. Voorgoed verloren; ik kon het niet begrijpen en ik spande me in om de pijn te verduren…”

De doden zijn voor altijd weg, behalve in de herinnering van hen die van hen hebben gehouden. In die zin is deze scène zeer herkenbaar: het berouw dat we kunnen voelen omdat we niet genoeg herinnerd hebben, het beeld van onze overleden geliefde niet voldoende gekoesterd hebben. Een emotie die hier in deze aangrijpende, indrukwekkende passage maar al te navoelbaar wordt…

Het is wat James Joyce een epiphany zou hebben genoemd, een openbaring, een tijdelijk moment van verlichting. Marcels grootmoeder is als hij dit ervaart al een jaar dood, maar pas nu kan hij werkelijk de wond voelen die haar permanente afwezigheid bij hem gemaakt heeft. De allerpijnlijkste herinneringen zijn die aan overleden vrienden en geliefden.

Toen de moeder van Proust in 1905 overleed, 56 jaar oud slechts, was hij geruime tijd niet tot schrijven in staat. Zijn biograaf William C. Carter citeert een uitspraak van hem naar aanleiding van dit overlijden: “Ze neemt mijn leven met zich mee, zoals Papa dat van haar had meegenomen.” En kort voordat de begrafenisplechtigheid zou plaatsvinden: “Vandaag heb ik haar nog; ze is dood maar ontvangt nog mijn tederheid. En dan zal ik haar nooit meer hebben”.
De musicus Reynaldo Hahn, getuigt in zijn memoires van het rouwen van zijn vriend: “Ik zie hem nog bij het bed van Madame Proust, huilend en door zijn tranen heen glimlachend naar haar lichaam”.

De laatste levensmaanden van de grootmoeder worden door Proust schitterend beschreven. Het is er allemaal: de wanhoop van de grootmoeder die, om maar van haar lijden verlost te zijn, een poging onderneemt zichzelf van het leven te beroven; het verdriet van haar dochter, de moeder van de verteller; maar ook het cynische commentaar van Proust op de grote variatie aan medische handelingen, van middeleeuws (bloedzuigers) tot uiterst modern (het toedienen van zuurstof), die de grootmoeder moet ondergaan, alsook het weinig flatteuze portret van de, door de hertog van Guermantes aanbevolen societyarts (door het toenemende succes van de medische wetenschap, een betrekkelijk recent verschijnsel, had het beroep van arts in de dagen van Proust een zekere glamour gekregen):
“Aan de voet van de stervenssponde was hij, niet de Duc de Guermantes, de grand seigneur. Na mijn grootmoeder te hebben bekeken, zei hij op gedempte toon enkele woorden tot mijn vader en boog vol respect voor mijn moeder, waarbij ik voelde dat mijn vader zich moest inhouden om niet ‘Professor Dieulafoy’ [een bestaande arts uit de jeugd van Proust, die ook onder zijn eigen naam ten tonele wordt gevoerd, iets wat hoogst uitzonderlijk is bij Proust] te zeggen. Maar deze had het hoofd reeds afgewend en verliet het vertrek op onnavolgbare vlotte wijze, het overeengekomen honorarium dat hem werd overhandigd doodsimpel aannemend… wij vroegen onszelf even af of we het hem wel hadden overhandigd, met zulk een soepele vingervlugheid had hij het weg gegoocheld, zonder daarmee afbreuk te doen aan zijn veeleer nog toegenomen gewichtigheid van groot consulterend arts gestoken in een lange geklede jas met zijden revers, het fraaie gelaat vol nobele deernis.”

Een vernietigend portret!

Vanaf het begin van de Recherche speelt de hertogin van Guermantes (Oriane) een grote rol in de dromen van de dan nog zeer jonge verteller. Zij is, wanneer hij bij zijn grootouders in Combray logeert, de geheimzinnige bewoonster van het kasteel in de buurt. Hij ziet haar als een prinses uit een sprookje, een fantasie die nog verder wordt gevoed door de afbeelding van één van haar voorouders op een gebrandschilderd raam in de dorpskerk van Combray.
Veel later, in De kant van Guermantes, het derde deel van de romancyclus, zijn zij elkaars buren geworden; de verteller en zijn familie hebben hun intrek genomen in een Parijse woning die grenst aan het stadspaleis van de Guermantes. Maar sociaal gezien bestaat er zo’n grote afstand tussen hen, dat Marcel (ik zal hem maar zo blijven noemen hoewel de naam van de ik-figuur niet meer dan enkele malen genoemd wordt in deze enorme roman en dit zeker ook niet wil zeggen dat de schrijver Marcel Proust en de verteller van de roman dezelfde zijn – Proust heeft dit zelf ook expliciet ontkend) er niet in slaagt om kennis te maken met de hertogin en door te dringen tot de aristocratische kringen waarin zij verkeert.

Elisabeth, gravin Greffulhe (1905), die model heeft gestaan voor de Duchesse de Guermantes

Er is een prachtige scène die speelt in de Opéra Garnier waar de nog steeds vrij jonge Marcel aanwezig is, officieel om de beroemde actrice La Berma (gebaseerd op Sarah Bernardt, die overigens ook onder haar eigen naam in de Recherche voorkomt) te zien in de rol van Racine’s Phèdre, maar in wezen vooral omdat ook zijn idool de hertogin van Guermantes onder het publiek verwacht wordt. De scène is vooral zo mooi vanwege een consequent volgehouden metafoor: de adellijke loges in het theater worden voorgesteld als aquaria, waarin watergoden – en godinnen huizen die na verloop van tijd (wanneer de ogen van de verteller gewend zijn aan het duister) aan de oppervlakte komen om zich te laten zien: “… naarmate het schouwspel vorderde maakten hun vaaglijk mensachtige gestalten zich loom een voor een los van het diepe donker en stegen naar het daglicht, lieten hun halfnaakte lichamen bovendrijven en kwamen tot stilstand bij het clair-obscure oppervlak, waar hun glanzende gezichten verschenen achter het luchtige spatten van hun veren waaiers, onder hun met parels verstrengelde kapsels die op de golfslag van het tij leken te zijn gekruld…”

Dit is de werkelijk superbe beeldtaal waarin Proust op zoveel plekken in de romancyclus uitmunt.
Groots is de opkomst van de hertogin van Guermantes, ‘in al haar glorieuze zelfverzekerdheid en haar grandezza van een godin’; de verteller suggereert dat ze expres pas halverwege de voorstelling arriveert om des te meer indruk op het publiek te maken. “Ze begroette, zich omdraaiend naar de maritieme monstres-sacrées die achterin de spelonk ronddreven, deze halfgoden van de Jockey-Club – die op dat moment de mannen waren die ik het liefst had willen zijn.”

Wanneer Marcel uiteindelijk wel tot deze hoogste kringen weet door te dringen, levert dat eigenlijk alleen maar teleurstelling op. De adellijke gasten van de hertog en hertogin verliezen zich in het eindeloos uitpluizen van hun stamboom. Gebrek aan empathie is wat hen kenmerkt, alsook een schrijnend gebrek aan culturele bagage en ronduit reactionaire politieke ideeën. De hertog van Guermantes blijkt gevoelloos en onbenullig en zijn vrouw de hertogin oppervlakkig en middelmatig. De adel wordt door Proust afgeschilderd als een vermolmde klasse wier glorietijd in het verleden ligt.

Illiers-Combray

Zodra de opgroeiende Marcel contact weet te leggen met aristocratische kringen, verandert ook de setting van de roman. De eerste twee delen van de Recherche zijn voor een groot deel gecentreerd rondom twee plekken: Combray op het Franse platteland, waar de grootouders wonen (in werkelijkheid heette het Illiers, maar de faam van Prousts roman zorgde ervoor dat de naam van het dorp officieel gewijzigd is in Illiers-Combray) en Balbec aan de Normandische kust; de overheersende indruk is die van de frisheid van het buitenleven, zonnig en licht. Er zijn de wandelingen langs het riviertje de Vivonne en de prachtige beschrijvingen van bloeiende meidoorns in het eerste deel van de cyclus en de impressies van zee en strand in het tweede deel.
Proust doet met zijn aandacht voor de spelingen van kleur en licht – alsook de wisseling daarvan op verschillende momenten van de dag en door de jaargetijden heen – regelmatig denken aan de schilders van het Impressionisme: tijdgenoten van Proust, die hij overigens niet persoonlijk kende (hij had hun werk echter wel gezien bij verzamelaars bij wie hij over de vloer kwam).

Hier is een schitterende passage over de meidoorns die de jonge verteller zo prachtig vindt (en zo kenmerkend voor Proust en zijn buitengewone gevoel voor esthetiek wanneer hij de wereld om hem heen observeert alsof hij in een museum voor een schilderij staat):
“Ik keerde weer naar de meidoorn terug als naar een kunstwerk waarvan men meent dat men het beter ziet als men er een ogenblik niet naar gekeken heeft, maar het gaf niet of ik mijn ogen met mijn handen afschermde om niets anders te zien, het gevoel dat ze in mij opwekten bleef onbestemd en vaag, trachtte tevergeefs zich los te maken en zich met de bloemen te verbinden. Ze hielpen mij niet het te verhelderen en de andere bloemen kon ik niet vragen mij in te lichten. Maar toen schonk mijn grootvader mij de vreugde die wij ondergaan als wij een werk van onze lievelingsschilder zien dat heel anders is dan de schilderijen die wij al van hem kennen, of als men ons voor een schilderij brengt waarvan we tot dusver slechts een potloodschets hebben gezien, of als een muziekstuk dat we alleen op de piano gehoord hebben, ons door een orkestuitvoering al zijn kleurschakeringen toont, door te zeggen, wijzend naar de meidoornhaag van Tansonville: ‘Je houdt toch zoveel van meidoorns, kijk dan eens naar deze met roze bloemen, wat is die mooi!’ Inderdaad was het een meidoorn, maar dan roze, nog mooier dan de witte. Ook deze was als voor een feest versierd, maar nog rijker…
En deze bloemen hadden precies die roze tint uitgekozen van iets eetbaars of van een tere versiering op een japon voor een groot feest, een roze dat in de ogen van kinderen de meest overtuigende kleur is en derhalve altijd iets levendigers en natuurlijkers heeft dan andere tinten…
En inderdaad voelde ik net als bij de witte meidoorns maar met nog grotere verbazing, dat het niet door iets kunstmatigs was, door een list van menselijk maaksel, dat de feestelijke bestemming van de bloemen tot stand gekomen was, maar dat de natuur zelf dit spontaan tot uitdrukking had gebracht… door deze struik met roosjes van een al te zoetig roze en met een ouderwets provinciale overdaad op te sieren…”

“… in de ogen van kinderen”: Proust is het meest zichzelf wanneer hij de schoonheid van de bloemen beschouwt met de ogen van een kind. Hij stierf op middelbare leeftijd, 51 jaar oud, maar raakte de kinderlijke blik van zijn jeugd en zijn jonge, frisse vermogen tot bewondering nooit kwijt (en zou die manier van kijken zelfs tot op zijn oude dag gehandhaafd hebben, wanneer hij niet een slopend langzame aanslag op zichzelf gepleegd had door een slechte, ongezonde leefwijze die gepaard ging met absurde vormen van zelfmedicatie, zijn weigering ‘s nachts te slapen en een dieet dat vaak uit niets anders bestond dan roomijs en koud bier).

De Parijse delen, zoals De kant van Guermantes en De gevangene, spelen zich vooral binnenshuis af, in de salons van de aristocratie. Die waren in die dagen (de laatste decennia van de 19e eeuw) volgestouwd met monumentale canapés en dikke tapijten (fnuikend voor de astma van zowel Proust zelf als Marcel de verteller van de roman) die ieder geluid dempten, terwijl zware gordijnen het daglicht buiten hielden. Buffetten en bijzettafeltjes bezweken onder massa’s snuisterijen en exotica. Het was alsof de aristocratie zich, wentelend in de behaaglijkheid van de eigen woning, een apart universum wilde creëren, ver van de bedreigingen van de buitenwereld, de zich emanciperende burgerij en de oprukkende moderne tijd.

Prousts beschrijving van de samenleving tijdens het Franse belle epoque is vaak bijzonder komisch en vol messcherpe observaties; de overheersende toon echter is die van tragiek en pessimisme eerder dan hoop. Proust is de meester van het tragi-komische, doorspekt met een subtiele ironie. Waar je al die tijd naar uitgekeken hebt, blijkt bij nadere kennismaking alleen maar tegen te vallen.
De zo door hem bewonderde aristocratie heeft zichzelf als klasse overleefd en ook plekken, zoals Venetië, die hij altijd heeft willen bezoeken, of geliefden, zoals Albertine, voor wie hij lange tijd van een afstand een grote verliefdheid heeft gekoesterd, blijken bij een concrete ontmoeting op den duur hun betovering geheel te verliezen. Beter is het, de confrontatie te vermijden, omdat je dan het verlangen zo lang mogelijk in stand kunt houden.


4 reacties op “Over Marcel Proust, deel I”

    1. lezenn-67aa5c197cefa avatar

      Wat vind je zo ongelofelijk, als ik vragen mag?

  1. Maliyah bedrukte padel rackets avatar

    lezenman is echt een geweldige leeservaring. De schrijfstijl is toegankelijk en meeslepend.
    Het bood nuttige inzichten. Een must-read.
    Dank je wel voor het delen! Ik blijf het volgen. https://medium.com/@roderikschoemanmarketing/is-een-custom-padelracket-het-ideale-geschenk-voor-sportliefhebbers-c498a49cb727

    1. lezenn-67aa5c197cefa avatar

      Hartelijk dank voor je mooie woorden!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *