
Prousts grootste kracht wellicht is het scheppen van een ongelofelijke variëteit aan levende personages. Harold Bloom geeft in zijn Western Canon een opsomming van onvergetelijke personages die voorbij komen in de portrettengalerij die A la recherche du temps perdu is. (Bloom noemt het ‘the largest, most vital, and most varied constellation of characters to be encountered outside of Shakespeare’).
Zo ontmoeten wij: de baron de Charlus, Charles Swann, Marcels geliefde Albertine Simonet (zij is overigens gebaseerd op Prousts chauffeur en secretaris Alfred Agostinelli, met wie hij een homosexuele relatie had), zijn Joodse vriend Bloch, zijn beste vriend Robert de Saint Loup (familie van de Guermantes en dus de best mogelijke introductie voor Marcel tot de adellijke kringen), de schrijver Bergotte, de schilder Elstir, dokter Cottard (waar Proust trekken van zijn vader, Adrien Proust, die ook arts was, in verwerkt heeft), Francoise, de kokkin van het gezin Proust; Odette de Crécy (die met Swann trouwt en later de maîtresse wordt van de hertog van Guermantes); Gilberte, dochter van Swann en Odette en Marcels eerste liefde; Marcels moeder en grootmoeder en de hertog en hertogin van Guermantes, die hierboven al ter sprake kwamen; de opgeblazen diplomaat Marquis de Norpois, diens voormalige geliefde Mme de Villeparisis (tante van de baron de Charlus), de bisexuele Charlie Morel, societydame Mme. Verdurin en bovenal: de verteller die ook het jonge zelf van de auteur is en dan ook Marcel heet.
Volgens Bloom zijn Prousts personages net zo complex als die van Shakespeare en dat is zo ongeveer het grootste compliment dat je van hem kan krijgen.
Voor Bloom is jaloezie één van de centrale emoties in Prousts werk en inderdaad worden zowel Swann, het personage dat het eerste deel van cyclus domineert, als Marcel zelf verscheurd door jaloezie. Proust heeft dan ook gezegd dat het openingsdeel De kant van Swann een vertelling is over Swanns door jaloezie veroorzaakte lijden. Ook hier ligt de vergelijking met Shakespeare voor de hand: in zowel Othello als The Winter’s Tale verkent hij uitgebreid het landschap van deze emotie. Maar Prousts personages zullen, in tegenstelling tot Othello, nooit moordneigingen krijgen. Daar zijn met name Swann en de verteller teveel intellectueel en estheet voor: wanneer eerstgenoemde met een nauwgezet onderzoek het sociale leven van Odette tot in details probeert te reconstrueren, wordt dat vergeleken met ‘de estheet die bestaande documenten uit 15e-eeuws Florence plundert om verder tot de ziel van de Primavera of de Venus van Botticelli door te kunnen dringen’. Hier vloeit de jaloerse geliefde over in de geleerde die Swann natuurlijk ook is; ook in dit onderzoek is hij op zoek naar de waarheid, geïnteresseerd als hij is in de kleinste details uit het leven van deze vrouw, met dezelfde dorst naar kennis die hij ervaart als hij geschiedenis of kunst bestudeert. Nu zijn spioneren, getuigen uithoren, bedienden omkopen en luisteren aan deuren de middelen die hij beproeft – voor hem een methode van wetenschappelijk onderzoek op één lijn met het ontcijferen van manuscripten, het afwegen van bewijs en het interpreteren van inscripties op oude monumenten.
Er is één geweldige scène die hier zeker even uitgelicht moet worden. Wanneer Odette Swann op een avond wat vroeger dan gebruikelijk heeft weggestuurd keert hij (in het donker) terug om te checken of zijn plaats niet door een andere minnaar is ingenomen. Hij luistert aan het enige verlichte raam van de rij huizen in de straat waar zij woont (één van de vele nieuwbouwwijken die in de tijd dat de roman speelt uit de grond gestapt worden en waar alle huizen op elkaar lijken) en is ervan overtuigd dat zij herenbezoek heeft ‘bij het horen van dat gemurmel dat de aanwezigheid verried van wie na zijn vertrek was gekomen, Odette’s valshartigheid verried en het geluk dat zij aan het beleven was met een ander’.
Wat volgt is een hilarische ontknoping. Als Swann ten lange leste op het raam klopt verschijnen er twee oude heertjes aan het venster en ontwaart hij een kamer die hij niet kent: hij stond aan het verkeerde raam. Een heerlijke slapstickachtige scène die zo uit een blijspel afkomstig had kunnen zijn; het soort luchtige, komische passages waartoe Proust, ter afwisseling van de uitgebreide beschrijvingen en psychologische analyses, beschouwingen over kunst e.d. gelukkig ook geregeld zijn toevlucht neemt.
In plaats van in zijn onderzoek esthetisch genot te vinden, waar de kunstminnaar altijd naar op zoek is, vind Swann zichzelf geconfronteerd met een bodemloze, duistere afgrond. Hij merkt dat de ziel van Odette ondoordringbaar is, wat aanleiding is tot steeds hernieuwde aanvallen van jaloezie. Die jaloezie verzelfstandigt zich, maakt zich steeds verder los van de persoon waarop ze aanvankelijk gericht was: “De persoon Odette had daar geen groot aandeel meer in…”; haar foto, zelfs haar daadwerkelijke gezicht lijkt totaal niet meer overeen te komen met ‘de voortdurende en pijnlijke spanning die zijn geest beheerste’.

In het deel Un amour de Swann komt Charles Swann, in een passage die tot de bekendste van de cyclus hoort, uiteindelijk tot de conclusie dat het genoeg is geweest:
“En dan te bedenken dat ik jaren van mijn leven heb vergooid, dat ik verlangde te sterven, dat de grootste liefde die ik ooit heb ervaren voor een vrouw was die mij niet werkelijk aansprak, die niet eens mijn type was.”
Swanns liefde sterft, maar niet zijn jaloezie, hij blijft geobsedeerd en tenslotte trouwt hij toch met haar, niet ondanks, maar mede dankzij het feit dat zij hem verraden heeft, met mannen zowel als met vrouwen. En Proust geeft een verklaring voor dit onwaarschijnlijke huwelijk:
“Ongetwijfeld zijn er maar weinig mensen die het puur subjectieve karakter van het fenomeen dat we liefde noemen begrijpen; hoe het een supplementaire persoon schept, geheel verschillend van de persoon die de wereld kent bij dezelfde naam, een persoon die geheel bestaat uit elementen die we zelf gecreëerd hebben.”
En zelfs lang nadat na zijn liefde ook zijn jaloezie vergetelheid geworden is, is het toch zijn herinnering aan die jaloezie die hem nog steeds kwelt en hij blijft bezig met zijn onderzoek. Swann blijft proberen datgene bloot te leggen wat hem eigenlijk allang niet meer interesseert. “Zijn oude zelf”, zegt Proust, “bleef als het ware mechanisch handelen.”
De hele affaire is de voorloper van het Marcel – Albertine verhaal in de latere delen van de cyclus. “Swann is Marcel’s forerunner”, schrijft Bloom, “the John the Baptist who profesies the jealous crucifixion of the Narrator’s younger self.”
Voordat ik hiermee verder ga even het volgende: er is vaak kritiek geweest op het gegeven dat Proust zijn alter ego Marcel: 1. niet Joods heeft gemaakt zoals Proust zelf was: zijn moeder, Jeanne Weil, was Joods, dus was hij het ook, hoewel Proust Rooms Katholiek gedoopt was en zichzelf niet als Joods beschouwde; en 2. (en dit is de kritiek die de meeste aandacht trok) heterosexueel is, terwijl Proust zelf bisexueel was, met de homosexuele impuls ongetwijfeld als de sterkere van de twee.
Voor de relatie met Albertine heeft Proust zijn homosexuele affaire met Alfred Agostinelli omgezet in een heterosexuele, terwijl Albertine zelf lesbisch is. Het is zeker zijn bedoeling geweest om de heterosexuele affaires van Swann en Marcel te contrasteren met die van de homosexuele Charlus en de bisexuele Saint Loup (die tenslotte trouwt met Swanns dochter Gilberte die Marcel’s eerste liefde was; maar niet na eerst ook een door jaloezie gekleurde affaire te hebben doorgemaakt met Rachel). Proust heeft een complete wereld willen creëren met een universele betekenis en daarbinnen het gehele spectrum aan liefdes – en sexuele relaties willen verwerken.
Liefde en jaloezie lijken haast synoniemen bij Proust; Marcel vertelt Swann dat hij, omdat hij niet jaloers was op Gilberte, hij kennelijk ook niet werkelijk van haar gehouden heeft. Ware liefde is er alleen tussen Marcel, de moeder en de grootmoeder, maar tussen niemand anders in de roman. (Je kunt het zich bevrijden uit een welhaast symbiotische verhouding met de moeder zeker zien als één van de thema’s van de roman). Zelfs echte vriendschap blijkt lastig; Proust definieert vriendschap als ’halverwege fysieke uitputting en geestelijke verveling’.

De delen De gevangene (La prisonnière) en De voortvluchtige (La fugitive), het verslag van de getourmenteerde relatie van Marcel en Albertine, vormen een Apocalyps van jaloezie waarbij de verteller zijn vriendin gevangen houdt in het web van zijn achterdocht en beschuldigingen en op haar laat spioneren om haar gangen na te gaan. Proust noemde deze episode in de Recherche de ‘roman van Albertine‘; Samuel Beckett heeft het in zijn diepgravende essay over Proust zelfs over de ‘tragedie van Albertine‘.
Jaloezie is voor Marcel zo ongeveer een voorwaarde om verliefd te kunnen zijn op Albertine. En die jaloezie betreft vooral haar liefdesaffaires met ander vrouwen. Hij ontdekt overigens pas geleidelijk aan, wanneer zijn relatie met Albertine al begonnen is, dat zij de damesliefde is toegedaan. Zijn gevoelens voor haar zijn onderhevig aan hevige wisselingen. Dan weer is ze zijn droomvrouw, dan weer verveelt ze hem hopeloos, zoals in de volgende passage:
“En zo wisselden een drukkende verveling die ik in haar gezelschap voelde en een trillend verlangen vol schitterende beelden en vol gemis elkaar af, al naar zij bij mij zat op mijn kamer of ik haar weer de vrijheid schonk in mijn herinnering, op de promenade, in haar vrolijke strandkostuums, bij het spel van de muziekinstrumenten van de zee, Albertine… mij ontvliedend naar een verleden dat ik niet kennen zou, mij kwetsend in het bijzijn van een dame, haar vriendin…”
Wat deze zin tevens duidelijk maakt is dat de Albertine van wie Marcel houdt, om wie hij ongerust is en die zijn jaloezie bij hem wakker maakt, eerder een product is van zijn verbeelding dan dat het een reële persoon geldt (zoals ook in de relatie Swann – Odette het geval was) en dat haar sexuele uitspattingen en extravagante avonturen in zijn voorstellingen groter en groter worden totdat zij hem als een woekerende koortsdroom blijven kwellen. De echte Albertine ontglipt hem voortdurend; hij vindt, zowel in werkelijkheid als in zijn verbeelding, geen toegang tot haar wereld: “Die liefde tussen vrouwen was iets te onbekends, waarvan niets je met zekerheid de juiste hoedanigheid liet indenken.”
De ontoegankelijkheid van de wereld waarin Albertine haar affaires heeft met andere vrouwen, gaat terug op vroegere passages in de roman, waarin de schrijver nog een kind is, vroeg naar bed gestuurd wordt en zich buitengesloten voelt van de wereld die zijn ouders in de avonduren met andere volwassenen delen, even ontoegankelijk en raadselachtig als de wereld nu, van Albertine en haar vrouwen.
Overigens geldt Marcels obsessieve jaloezie niet alleen Albertines relaties met vrouwen; ook de manier waarop zij met mannen omgaat kan zijn jaloezie opwekken. Zoals in het geval van een kelner, van wie hij vermoedt dat Albertine hem beter kent dan hem lief is, al laat zij daar niets van blijken:
“Zij leken in een geheimzinnig tête-à-tête te zijn, woordeloos door mijn aanwezigheid en misschien een vervolg op mij onbekende vroegere ontmoetingen, of alleen op een blik die hij haar had toegeworpen – en waarbij ik de hinderlijke derde was, voor wie men zich afsluit.”
Tenslotte wordt de roman in het laatste deel, De tijd hervonden (Le temps retrouvé) verlost van zijn lot voornamelijk een literaire romance van jaloezie te zijn: de verteller vindt zijn redding in de kunst (en wordt aan het einde ervan zelf schrijver); Proust is en blijft toch bovenal de onbetwiste hogepriester van de religie van de Kunst. Hij linkt zijn artistieke ontwikkeling trouwens ook expliciet aan het ongeluk dat hij ervaren heeft in de jaren dat hij met Albertine was: “De gelukkige jaren zijn de verloren jaren, de verspilde jaren, je moet wachten op het lijden voordat je aan het werk kan.”
“Zij kon mij bevruchten door het ongeluk”, zegt hij ook: Albertine bood Marcel de therapie die hij moest ondergaan opdat hij schrijver kon worden.
(De drie genoemde laatste delen van de Recherche werden overigens pas na Prousts dood in 1922 gepubliceerd in resp. 1923, ‘25 en ‘27; de postume verschijning van deze delen kwam tot stand door de redactionele inzet van de broer van de schrijver, Robert).
Je vraagt je als lezer wel af af waarom Albertine zo lang blijft volharden in deze ziekmakende relatie. Wanneer zij tenslotte toch wegvlucht, begint haar afscheidsbrief met: “Ik laat je het beste van mijzelf na.” Na haar fatale ongeluk bij het paardrijden ontvangt Marcel nog twee briefjes van haar in antwoord op zijn brief dat hij met haar vriendin Andrée zal trouwen – wat een leugen is. Het eerste feliciteert hem met zijn keus, het tweede bevat een aanbod bij hem terug te keren – wat nogal tegenstrijdig is. Wat volgt is dan een fanatieke onderzoekscampagne van Marcels kant, betreffende het buitengewoon uitbundige erotische verleden van zijn verloren geliefde, vooral door uitgebreid Andrée uit te horen, ooit Albertine’s geliefde, nu (tijdelijk) de zijne.
Desondanks blijft de liefdesrelatie van Marcel en Albertine, ook voor de lezer, een groot raadsel en voor velerlei uitleg vatbaar: de ambiguïteit en gelaagdheid die het kenmerk is is van iedere grote romanschrijver.
Homosexualiteit neemt een belangrijke plaats in als thema in de Recherche, met name in de twee delen van Sodom en Gomorra. Het betreft hier vooral één van de hoofdpersonen van de cyclus, baron de Charlus. Marcel komt pas in de loop van de roman, en dan nog bij toeval, achter de sexuele geaardheid van de baron; volgens Proust heeft hij dit zo gedaan ‘opdat de lezer het personage leert kennen op een manier waarop dat ook in het echt gebeurt, waarbij mensen zich pas stukje bij beetje blootgeven’.

De scène waarin dit gebeurt is één van de hoogtepunten van de romancyclus. Via de blik van de verteller is de lezer getuige van een pantomime voor twee heren, de woordeloze ontmoeting tussen Charlus en de winkelier Jupien, die tevens de eigenaar is van een mannenbordeel. (Homosexualiteit kon zomaar het strikte klassenonderscheid van het belle époque ondergraven: relaties bloeien op, zegt Proust, ‘tussen de ambassadeur en de tuchthuisboef’, of in dit geval: tussen de hooggeboren Charlus en de vestenmaker Jupien).
Marcel kan hun onderlinge gebaren niet duiden, totdat kreten van genot opklinken uit het winkeltje van Jupien waar de twee zijn binnengegaan. Hiermee wordt de sexuele geaardheid van de baron onthuld en de verteller zowel als de lezer begrijpen nu pas met terugwerkende kracht dat het overdreven masculiene gedrag van de baron jegens Marcel een maskerade was die ten doel had te verbergen dat hij zich zeer tot (de heterosexuele) Marcel voelde aangetrokken. (We zijn een soortgelijke voyeuristische scène al een keer eerder tegengekomen wanneer de verteller toevallig getuige is van het liefdesspel van twee vrouwen: de dochter van de componist Vinteuil en haar vriendin).
Tegenwoordig zijn we geneigd om iemands sexuele identiteit meer als vloeibaar dan als vastomlijnd te beschouwen; binnen het onderscheid mannelijk-vrouwelijk is er een heel scala aan tussenvormen. Proust doet iets dergelijks in zijn prachtige beschrijving van de baron de Charlus:
“Bovendien begreep ik nu waarom ik zo-even, toen ik hem bij Mme de Villeparisis vandaan zag komen, had gevonden dat M. de Charlus op een vrouw leek: hij was er één! Hij behoorde tot het slag mensen, minder in strijd met zichzelf dan het schijnt, die een mannelijk ideaal hebben, juist omdat hun temperament vrouwelijk is, en die in het dagelijks leven, uiterlijk alleen, als andere mannen zijn.”
En wanneer Charlus de salon van Mme Verdurin betreedt (de salon van een burgerdame die hij als aristocraat altijd gemeden zou hebben) omdat hij in contact wil treden met de violist Charlie Morel (overigens een gewetenloze opportunist die uiteindelijk zijn val zal bewerkstelligen), op wie hij verliefd is, omschrijft Proust hem als ladylike, de eigenschap van een grand dame.
“Hoewel er voor deze gedaanteverwisseling van M. de Charlus meer redenen verantwoordelijk waren… toch was de verandering die wij hier aangeven van geestelijke oorsprong. Wie steeds teder aan mannen denkt, wordt vrouw…”
(Het is overigens deze Mme Verdurin die even later Charlus publiekelijk aan de schandpaal nagelt; Proust omschrijft het als de ‘executie’ van Charlus).
Proust ziet homosexualiteit nadrukkelijk als een geestesgesteldheid – een voor zijn tijd, waarin men het toch vooral zag als een (te genezen) fysieke afwijking, revolutionair standpunt. Proust zag de maatschappelijke positie van homosexuelen als zeer precair en gekenmerkt door een zware tragiek. “Het is een ras dat gebukt gaat onder een vloek”, schrijft hij in Sodom en Gomorra. En: Proust zelf heeft zijn eigen homosexualiteit altijd als een tekortkoming gezien…
Met het klimmen van de jaren krijgt de verschijning van de baron als homme-femme steeds meer een tragische component. Hij doet nu geen pogingen meer zijn homosexualiteit te verbergen, wat gepaard gaat met een onthutsend gebrek aan decorum. Hoe pijnlijk is niet zijn aftakeling, wanneer Proust hem beschrijft, over straat lopend ‘in zijn zog een van die straatbandieten of schooiers met zich meeslepend die nu overal waar hij liep onvermijdelijk opdoken’- gespuis, dat hoopt voor financieel gewin misbruik te kunnen maken van de zwakten van de baron.
En er is een uiterst pijnlijke scène waarin Charlus op eigen verzoek wordt afgetuigd door een groep door Jupien ingehuurde uit de kluiten gewassen jonge arbeiders die, ter verhoging van het sexuele genot van hun cliënt, in de weer zijn met extra zware kettingen.
Charlus als personage is in al zijn complexiteit één van de grootste scheppingen van de Recherche: zijn teloorgang en aftakeling is uitermate tragisch, maar wordt door Proust toch ook met mededogen en met de nodige humor geschilderd. Hij is een complex mens: onmiskenbaar racistisch en bij tijd en wijle buitengewoon onaangenaam, maar hij is ook spiritueel, kunstzinnig en innemend.
(Over het antisemitisme van Charlus: Proust heeft daar een paar hilarische passages over. Of hilarisch… het is misschien niet het goede woord wanneer je bedenkt hoe pijnlijk en kwetsend zijn uitspraken in wezen zijn. Marcel vertelt Charlus over zijn vriendschap met Bloch. De baron merkt op dat het goed is om in je vriendenkring een paar vreemdelingen te hebben, waarop Marcel antwoordt dat Bloch een Fransman is. “’Zo’, zei M. de Charlus, ‘ik dacht dat hij Joods was!’”.
Of zijn reactie op de krantenberichten dat Dreyfus landverraad gepleegd zou hebben: “Die misdaad is non-existent; die landgenoot van uw schoolvriend zou een misdaad tegen zijn vaderland hebben begaan als hij Judea had verraden, maar wat heeft hij met Frankrijk te maken?”
En wanneer de Joodse actrice Sarah Bernardt van haar vaderlandsliefde getuigd heeft: “Ik twijfel er niet aan, maar ik vraag me af in hoeverre Madame Sarah Bernardt bevoegd is namens Frankrijk te spreken…”).
Dat Proust van goede komaf was, wordt bij het lezen van de Recherche meer dan duidelijk. Ik heb hiervoor geschreven dat hij zeer geïnteresseerd was in maatschappelijke kwesties – echter maar tot op zekere hoogte.
De parlementaire democratie die na het aftreden van Napoleon III (in 1870, een jaar voordat Proust geboren werd) in Frankrijk ingevoerd was, was kwetsbaar. Ze werd bedreigd door zowel anarchistische aanslagen en dreigende revolutie van links als door couppogingen van rechts, zoals die van de conservatieve, antidemocratische generaal Boulanger in 1889. Het maatschappelijk debat was fel, de sociale kwestie stond hoog op de agenda, maar in het werk van Proust is daarvan weinig tot niets terug te vinden. (Zoals dat bijvoorbeeld bij zijn tijdgenoot Emile Zola, die grote sympathie koesterde voor de arbeidersbeweging, wel het geval was).
De vertegenwoordigers van de werkende klasse, merendeels behorend tot het dienstpersoneel, verschijnen slechts vluchtig en hebben nauwelijks een eigen gezicht. En als dat bij uitzondering wel gebeurt, zoals in het geval van Francoise, de dienstbode en kokkin van de familie, dan wordt haar aanwezigheid als volkomen vanzelfsprekend beschouwd, als onderdeel van het huisraad.
Er is één moment waarop Proust, in het deel À l’ombre des jeunes filles en fleurs (In de schaduw van de bloeiende meisjes – ik heb het altijd een prachtige titel gevonden), zonder expliciet kritiek te leveren op de tegenstelling tussen arm en rijk en zonder een concrete politieke uitspraak te doen, toch een scherpe observatie ten beste geeft van de sociale verhoudingen in zijn tijd. Dat is wanneer hij de metafoor van een aquarium gebruikt om het spektakel uit te duiden dat de in het Grand Hotel van Balbec verzamelde chique gasten te zien geven:
“… daar stroomde de grote eetzaal vol licht en werd omgetoverd tot een levensgroot, sprookjesachtig aquarium met glazen wanden, waartegen de arbeidersbevolking uit Balbec, de vissers, maar ook families uit de kleine burgerij, hun neuzen platdrukten om te kijken naar het traag in gouden golven wiegende luxeleventje van die mensen, dat voor de armelui even buitengewoon was als vissen en buitenissige weekdieren.
Het is trouwens een belangrijke sociale vraag of de glazen wand het festijn van de
wonderbaarlijke beesten altijd zal kunnen afschermen en of de onbekende lieden die gulzig in het donker rondspieden, hen op een dag niet komen doden of opeten.”
Harold Bloom, mijn favoriete criticus en leermeester, sluit Possessed by Memory, één van de drie boeken die hij op hoge leeftijd schreef en die te beschouwen zijn als zijn geestelijk testament (de ander twee zijn Take Arms Against a Sea of Troubles, over zijn favoriete Engelstalige dichters (en Dante!) van Shakespeare t/m Hart Crane en The Bright Book of Life: Novels to Read and Re-read) af met een ontroerend stuk over Marcel Proust, de romanschrijver met wie hij zich zijn gehele leven heeft beziggehouden. Wat hem met name aangrijpt is de in deel I van dit stuk over Proust beschreven passage over de herinnering aan de gestorven grootmoeder en hij plaatst dat in het perspectief van al diegenen die hem inmiddels (hij schrijft dit op 87-jarige leeftijd, twee jaar voor zijn eigen dood) zijn ontvallen. Dood en sterfelijkheid waren thema’s waarmee de oude Bloom zich intensief bezig hield.
Zijn favoriete passage in de Recherche, schrijft hij, is de dood van Bergotte in het deel De Gevangene.
Proust beschrijft eerst de feitelijke omstandigheden van de dood van deze schrijver. Hij gaat naar aanleiding van een artikel van een kunsthistoricus naar een tentoonstelling waar het door het Mauritshuis in den Haag uitgeleende schilderij Gezicht op Delft van Vermeer te zien is, met name omdat de kunsthistoricus schrijft een klein stukje gele muur op dat schilderij van een buitengewone schoonheid is; Bergotte meent het schilderij goed te kennen, maar kan zich dit niet herinneren. Hoewel hij zich al niet goed voelt, fixeert hij, staande voor het schilderij, zijn blik op dat kleine stukje geel en spreekt een oordeel over zichzelf uit: “Dát is hoe ik had moeten schrijven, mijn laatste boeken zijn te droog, ik had er nog eens overheen moeten gaan met een paar lagen kleur, de taal kostbaar in zichzelf moeten maken, zoals dat kleine stukje geel daar.”
Een moment later is hij dood.
Waarop Proust de volgende passage laat volgen (en ik ben er vrijwel zeker van, dat het vooral dit gedeelte is dat zo’n indruk maakte op Bloom):
“Hij was dood. Dood voor altijd? Wie zal het zeggen? Zeker, spiritistische experimenten net zo min als religieuze dogma’s leveren het bewijs dat de ziel voortbestaat. Wat men zeggen kan is dat in ons leven alles gaat als waren wij ter wereld gekomen met een last aan verplichtingen aangegaan in een vorig leven; in onze levensomstandigheden op deze aarde is er geen enkele reden om ons verplicht te voelen het goede te doen, fijngevoelig te zijn, zelfs niet beleefd te zijn, en evenmin voor de atheïstische kunstenaar om zich verplicht te achten twintig maal opnieuw te beginnen aan een stuk dat de bewondering zal wekken waar zijn door wormen aangevreten lichaam maar weinig om zal geven, zoals het gele stukje muur dat met zoveel kunde geschilderd werd door een eeuwig onbekende kunstenaar, amper geïdentificeerd onder de naam Vermeer. Al die verplichtingen die in het huidige leven hun geldigheid niet krijgen lijken thuis te horen in een andere wereld gebaseerd op goedheid, nauwgezetheid, opoffering, een volstrekt andere wereld dan die waar wij uit komen om op deze aarde te worden geboren, alvorens er misschien naar terug te keren, weer onder de heerschappij te leven van die onbekende wetten waaraan we hebben gehoorzaamd omdat wij er de lering van in ons meedroegen, zonder te weten wie ze in ons had neergezet, die wetten waar ieder diepgaand werk van het verstand ons nader toe brengt en die alleen verborgen blijven – en nog! – voor dwazen. En dus was het idee dat hij niet voor altijd gestorven was niet onwaarschijnlijk.”
Blooms commentaar bij deze passage: ‘So large was Marcel Proust that he could be at once an atheist and a mystic’.
Proust merkt na het bovenstaande nog op dat gedurende de hele nacht, voorafgaand aan zijn begrafenis, de boeken van Bergotte, drie aan drie bijeengeschikt, ‘als engelen met uitgespreide vleugels’ de wacht hielden en voor hem die er niet meer was, een symbool van zijn wederopstanding leken te zijn.

Proust schrijft hiermee in wezen een elegie voor zichzelf. Het is A la recherche du temps perdu dat nog altijd oplicht in de etalages van boekwinkels, als bewijs van de schrijvers onsterfelijkheid.
Wat vind ik zelf van Proust? Het lezen van de Recherche kan soms een heel moeizame ervaring zijn, het was voor mij een wisselend genoegen. Vaak genoeg dacht ik: dit is schitterend, dit is zo mooi geformuleerd! En dan weer raakte ik verstrikt in de eindeloze uitweidingen van psychologische aard, waarin de verteller zijn eigen motieven, maar ook die van andere personages, op het spoor tracht te komen.
Die lange zinnen, hoe knap ook, zijn vaak wel een obstakel (is zo’n hele lange zin werkelijk te prefereren boven vier korte?), alsook de ingewikkeldheid van de metaforen (die je zeker kunnen grijpen, maar soms ook helemaal niet). Ook is de taal in grote delen van de roman wel erg sacraal en galmend.
Maar wat je vooral raakt, dat zijn de personages. Ergens halverwege, of eerder, in het werk vastlopen betekent dat je veel mist, dat je Swann en Odette misloopt en de teloorgang van de baron de Charlus, de perikelen tussen Marcel en Albertine. Want dat zijn geschiedenissen die je al lezende niet loslaten.
Dit is grote literatuur, dat is zeker! Wanneer je de echte liefhebbers vraagt naar de mooiste romans van de 20e eeuw, dan zal de cyclus van Proust steevast in de top 10 staan, bij niet weinigen zelfs op nummer 1 (In mijn geval zou dat toch Ulysses van James Joyce zijn).
De complete Recherche bestaat nu zelfs als graphic novel, en Alain de Botton heeft met How Proust can change your life een hele generatie klaargestoomd voor Proust in de 21e eeuw.
Wat hij er zelf over zei? “De eeuwige duur is voor een oeuvre net zo min weggelegd als voor een mens.” “Je aanvaardt de gedachte dat over tien jaar je er zelf, over honderd jaar je boeken er niet meer zijn.”
Honderd jaar na de dood van Proust (1922) zijn zijn boeken er nog volop. Velen zien er schoonheid in en roemen de schrijver om zijn superieure stijl. Echter: schoonheid is geen objectief gegeven maar een met de tijd wisselend oordeel, een kwestie van smaak. Nog eens honderd jaar en misschien luidt het oordeel dan wel: hopeloos ouderwets, niet om door te komen! En stijl alleen, hoe essentieel een element ook in de literatuur, kan een boek niet overeind houden.
Toch is die stijl, hoe gecompliceerd ook, buitengewoon fraai. De zinnen wentelen zich als muzikale frasen rondom een centraal thema dat steeds weer in allerlei variaties terugkeert en net als een melodie die je raakt, gaan de zinswendingen, gaat de cadans van het werk zich vastzetten in je hart en in je hoofd zodat je, zodra je begint met lezen, er haast niet meer van loskomt – hoezeer die taal ook af en toe kan irriteren.
Maar er is nog meer.
Volgens Proust begint het oordeel van de lezer over zijn werk met het gegeven dat de lezer in feite zichzelf leest in zijn boeken. De lezers, zegt Proust, ‘zouden volgens mij niet mijn lezers zijn, maar lezers van zichzelf, mijn boek een soort van vergrotende brillenglazen zijnde… mijn boek, waarmee ik een middel zou verschaffen [voor de lezer] om in zichzelf te lezen’. Het is dan zo (deze redenering komt uit een mooi essay van Arnon Grunberg over Proust) dat wat in de Recherche geformuleerd wordt, al woordeloos in mijzelf bestond en Proust dat alleen maar hoefde wakker te kussen.
Hier stipt Proust iets aan dat mijns inziens essentieel is bij lezen. De lezer neemt altijd zijn eigen karakter en temperament; zijn eigen geschiedenis en leeservaringen; zijn eigen pijn, verdriet en blijheid mee als hij leest. Als dat mee resoneert wanneer hij leest, pas dan komt het gelezene werkelijk binnen. En zelfs bij het lezen van een roman die in een totaal andere tijd speelt, meer dan een eeuw geleden, in een aristocratisch milieu waar de meesten van ons geen voeling mee zullen hebben, kan de lezer toch het gevoel hebben: dit gaat over mij.
Je kunt het ook zo formuleren: lezen en schrijven zijn geen compensatie voor het onvermogen het leven te leven, maar het leven zelf. Iedere daad die wij verrichten heeft reflectie nodig wil zij werkelijk betekenis voor ons krijgen. En reflectie heeft woorden nodig. Woorden zijn bij uitstek het terrein van de schrijver. Pas de reflectie maakt het leven tot leven en wat kan daar beter bij helpen dan uitmuntende literatuur, dan onze allergrootste schrijvers?
Ik kan me maar moeilijk identificeren met de meeste personages van de roman, en toch vind ik het volgende zeer herkenbaar. Wat de hoofdpersoon zoekt is genot. In de liefde, dat zeker (en zijn ideaalbeeld van de hertogin van Guermantes, zijn eerste grote liefde Gilberte, zijn grootste tragische liefde Albertine, maar ook een heel spectrum van andere vrouwen, van zijn moeder en grootmoeder tot de meisjes die vooral als passanten bestaan en in zijn fantasie onweerstaanbaar worden – allemaal spelen ze daarin een rol), maar ook esthetisch genot. En de verloren tijd uit de titel, dat is de tijd dat het genot niet tot stand kwam. De verteller mag niet klagen, hij heeft veel wat hem tot voordeel strekt (op zijn slechte gezondheid en zijn zwakke zenuwgestel na), hij groeit zeer beschermd op en heeft vele mogelijkheden om zich te ontwikkelen; hij heeft een ruime vrienden – en kennissenkring; maar toch wordt hij geteisterd door ontevredenheid, moet hij lijden – niet op een zware manier in de zin van de Christus aan het kruis, maar aan de kleine, dagelijkse dingetjes die toch zo bepalend kunnen zijn voor je welbevinden. Hij heeft in de salon een gesprek met de baron de Charlus over de Dreyfus affaire en een zeker ongemak overvalt hem. Hij denkt aan een afspraak met Albertine en vraagt zich af of hij wel werkelijk van haar houdt. Dat soort lijden…
Ondertussen verstrijkt de tijd en heb je weer een aantal kansen gemist, denk je: hier had ik meer van kunnen genieten, of: had ik niet beter dit of dat kunnen doen?
En juist dat is zo herkenbaar!
Geef een reactie