Stendhal, een inleiding

De schrijver die we nu kennen als Stendhal werd in 1783 als Marie-Henri Beyle geboren in Grenoble. Hij was een bourgeois en een provinciaal, schrijft zijn Engelse biografe Joanna Richardson, die wenst een aristocraat en een Parijzenaar te zijn. Maar eigenlijk, zo zal blijken uit zijn verdere leven, beschouwde hij zichzelf niet als een Fransman, maar als een Italiaan.

De meest ingrijpende gebeurtenis uit de eerste jaren van zijn leven was het overlijden van zijn moeder toen hij zeven jaar oud was. Voor zijn vader, een fanatiek koningsgezinde advocaat met benepen, burgerlijk-reactionaire ideeën, voelde hij louter aversie. “Het lot heeft wellicht nog nooit twee mensen samengebracht die elkaar zo antipathiek waren als mijn vader en mijzelf”, schrijft hij over zijn jeugd.
Henri groeide op als een kleine misantroop.

Toen hij zes jaar oud was, in 1789, barstte in Frankrijk de revolutie los. De Beyles waren aanhangers van de Bourbons en de wanhoop nabij toen het nieuws van de arrestatie van Louis XVI (in 1793) naar buiten kwam. “Ze zullen de straf nooit durven te voltrekken”, hoort Henri zijn vader zeggen. “Waarom niet, als hij een verrader is”, mompelt de kleine jongen. Wat later komt vader (hij zal later door het nieuwe bewind gearresteerd worden, maar hij zat niet langer dan enkele dagen vast) zuchtend thuis: “Het is allemaal voorbij, ze hebben hem geëxecuteerd.” Henri schrijft dat hij daarentegen ‘werd overweldigd door de meest intense gevoelens van vreugde’.
(De passage is een hoogtepunt in zijn fraaie autobiografie, La vie de Henry Brulard.)

Natuurlijk wil hij uit Grenoble weg zodra dat kon (‘die smerige, misselijk makende goot’, noemt hij het); zijn grote wens was ingeschreven te worden aan een Ecole polytechnique in Parijs om daar wiskunde te studeren (op school was gebleken dat hij een grote aanleg voor wiskunde had). In november 1799 komt hij daar aan en hoort van de gebeurtenissen van de 18e Brumaire (9 november volgens de oude kalender): Napoleon heeft zich tot Eerste Consul laten benoemen, met alle mogelijkheden om te regeren als een dictator.

Parijs is een teleurstelling en van wiskunde moet hij al snel niets meer hebben; hij weigert zich in te schrijven voor de colleges aan de Ecole polytechnique. Hij grijpt (met hulp van zijn neef Pierre Daru, een hoge ambtenaar aan het ministerie van Oorlog en een belangrijk medewerker van Napoleon) de mogelijkheid aan om Parijs weer te verlaten door als reservist bij het Franse leger in Italië te gaan. Hij wordt onmiddellijk verliefd op dat land, de vrouwen, de landschappen, de architectuur, de schilderkunst en in het bijzonder, na het horen van Cimarosa’s opera Matrimonio segreto, op haar muziek. Met name de stad Milaan heeft zijn hart gestolen. Vanaf nu beschouwt hij Italië als zijn tweede vaderland. Op zijn grafsteen wil hij Arrigo Beyle, Milanese genoemd worden.

Na enige tijd gaat het militaire leven hem vervelen. Hij droomt er nu van een groot schrijver te worden. Hij richt zich in eerste instantie op het schrijven van toneelstukken (waar hij overigens niet werkelijk aanleg voor had); hij wil “komedies schrijven als Molière en leven met een actrice”. Daarvoor moet je toch in Parijs zijn. (Napoleon had zich daar eind 1804 in de Notre Dame tot keizer laten kronen). Hij gaat vaak naar het theater en ontwikkelt met name een passie voor Shakespeare.

Napoleon

In 1806 pakt hij zijn militaire loopbaan weer op; hij wordt naar Pruisen gezonden en trekt in het gevolg van Napoleon Berlijn binnen. Hij wordt gestationeerd in Braunschweig, waar hij snel carrière maakt en benoemd wordt tot assistent van de plaatselijke prefect.

In 1809 (Napoleon is dan net terug van zijn Spaanse campagne en de Oostenrijkse Habsburgers besluiten, om niet hetzelfde lot te ondergaan als hun Spaanse collega’s de Bourbons, de wapens weer op te pakken tegen hem, nu ze enigszins hersteld zijn van hun grote nederlaag bij Austerlitz) is hij getuige van een overwinning op de Oostenrijkers bij Ingolstadt en hij trekt vervolgens met het Franse leger Wenen binnen.

En: er zijn talloze verliefdheden, sommige louter imaginair en op afstand, anderen uitmondend in concrete affaires. Henri Beyle was in zijn hart een romanticus en zijn gevoelens bewegen zich heftig heen en weer tussen wanhoop en exaltatie. Maar er is een tegenwicht. Hij begint nu met wat hij zijn hele leven zal blijven doen, in zijn dagboek en in zijn autobiografie: op uiterst genuanceerde wijze over zijn gevoelens schrijven, met een analytisch vermogen en een afstandelijkheid die zijn wiskundige aanleg verraden.

Wat Stendhal tot zo’n interessante schrijver maakt is wat ik de ontmoeting tussen noord en zuid zou willen noemen. Noord: de Franse logica en verstandelijkheid; Zuid: het Italiaanse temperament. Hartstocht en warmte versus afstandelijke ironie en analytisch vermogen. De grootste vriend uit zijn kindertijd, dokter Gagnon, grootvader van moeders kant, had hem bij voortduring gewezen op het belang van ‘kennis van het menselijk hart’. Zijn hele literaire carrière lang is hij zijn eigen hart blijven ontleden. Zijn in het laboratorium van zijn dagboek opgedane kennis brengt hij in de praktijk in zijn romans. Dit is wellicht het dubbele karakter van literaire genialiteit: volledige betrokkenheid en volstrekte afstandelijkheid ineen.

Ook sommige van zijn talrijke affaires met vrouwen komen in zijn romans terecht. De scène in le Rouge et le Noir waarin Julien Sorel Mme. Renal verleidt heeft elementen van zijn verblijf in Bècheville, het buiten van Daru, die hem inmiddels weer een mooie post in overheidsdienst in Parijs had bezorgd. (De functie, Inspecteur du mobilier et des batiments de la couronne, maakte hem o.a. verantwoordelijk voor de gebouwen en het meubilair van het paleis te Fontainebleau). Doel van zijn verblijf was vooral Mme. Daru het hof te maken (iets waar zij niets van wilde weten). Om deze onmogelijke situatie te ontvluchten besluit hij naar Italië te gaan, naar zijn geliefde Milaan. Hij was daar 11 jaar geleden voor het eerst (we schrijven nu 1811) als jonge reservist en opnieuw spreekt de stad hem enorm aan. Italië, schrijft hij aan zijn zuster Pauline, is zijn ware vaderland… “het harmonieert met mijn eigen natuur…”
Een van de artistieke vruchten van zijn reis naar Italië (hij reist dit keer verder door naar o.a. Rome en Napels) is zijn Histoire de la Peinture á Italy.

Terug in Frankrijk dient hij het verzoek in met het leger naar het oosten te mogen, waar Napoleon inmiddels (1812) zijn Russische campagne is begonnen. Hij is verantwoordelijk voor de provisie en doet o.a. Smolensk en Minsk aan. Ook is hij getuige van de brand van Moskou die hij als een buitenstaander en estheet observeert.
December 1812 is hij in Wilna, met het leger op de terugtocht. Hij is volkomen uitgeput wanneer hij in januari terug in Parijs aankomt, maar zijn oorlogservaringen in het leger van Napoleon zullen van grote invloed blijken op zowel zijn werk als zijn persoonlijkheid.

Herdenkingsplaat van Stendhals verblijf in Vilnius in 1812 tijdens de veldtocht van Napoleon

Hij verwachtte door Napoleon beloond te zullen worden voor zijn inspanningen, misschien met een Légion d’honneur, een adellijke titel of een prefectuur in één van de Italiaanse departementen, maar in april moet hij alweer het veld in: Frankrijk is deze keer in oorlog met Pruisen. In mei 1813 is hij er getuige van hoe het leger van Napoleon de Pruisische en Russische troepen verslaat bij Bautzen in Saksen.

Hoewel hij al deel uitmaakte van het leger van (toen nog consul) Napoleon op zijn Italiaanse campagne en hij ook de terugtocht vanuit Moskou meemaakte (alles bij elkaar heeft hij aan twaalf veldtochten deelgenomen), is de slag bij bij Bautzen de enige veldslag waar hij daadwerkelijk bij was. Hij gebruikt die ervaring bij de fantastische beschrijving die hij in zijn roman La Chartreuse de Parma geeft van Fabrice del Dongo’s deelname aan de Slag bij Waterloo. Wat daarbij vooral opvalt is het realistische gevoel dat hij daarbij oproept, van iemand die (wat ongetwijfeld ook daadwerkelijk het geval was bij een dergelijke veldslag) totaal gedesoriënteerd is bij al die rondvliegende kogels en opeenvolgende explosies en geen enkel idee heeft van het grotere verloop van de gevechtshandelingen: “Tussen twaalf en drie uur zagen we precies datgene wat men kan zien van zo’n veldslag, namelijk niets.” De enige zekerheid die hij heeft is ‘dat er iets aan het gebeuren is waarvan men weet dat het verschrikkelijk is’. Op het eind weet Fabrice niet eens zeker of hij nu aan de slag heeft deelgenomen; het enige dat hij gezien heeft is kruitdampen, verwarring, vluchtenden die zich bezondigen aan schietpartijen en diefstal en de verontrustende aanblik van al die dode lichamen op het slagveld.

Balzac schrijft in zijn bespreking van het boek: “Hij schetst slechts enkele taferelen van deze nederlaag, maar met zo’n suggestieve pennenstreek dat het geestesoog niet alleen de afgebeelde details opneemt, maar het complete slagveld overziet.”

Deze passage bij Stendhal had grote invloed op Tolstoj, die in zijn Oorlog en Vrede Nicolai Rostov in de slag bij Austerlitz iets laat ervaren dat helemaal vergelijkbaar is met wat Fabrice meemaakt bij Waterloo. Maar zelfs bij Tolstoj is er geen scène zo indringend als die van de Slag bij Waterloo in La Chartreuse de Parma.

Beyle wordt ingezet voor het bestuur van de provincie Sagan in Silezië, op de grens van Pruisen en Polen. Maar hij wordt daar doodziek en krijgt toestemming om terug naar huis te reizen.

Wanneer hij in november weer in Parijs aankomt (hij heeft eerst nog enige tijd doorgebracht in zijn geliefde Milaan, maar voelt zich te zwak om ervan te genieten) is Napoleons rijk aan het instorten. Pruisen is bevrijd, dus zijn post in Silezië bestaat niet meer en de geallieerde troepen (met name de Oostenrijkers en de legers van Wellington) vallen Frankrijk binnen. Hij wordt belast met de verdediging van de Dauphiné; ironisch genoeg wordt zijn standplaats zijn geboorteplaats Grenoble. Hij vervult zijn taak met een opmerkelijk gebrek aan vaderlandsliefde en verantwoordelijkheidsgevoel. Hij voelt geen enkele loyaliteit t.o.v. de Bonapartes en erkent schoorvoetend de Bourbon Restauratie, hoewel hij, liberaal in hart en nieren, een grote afkeer heeft van hun absolutisme.
3 mei 1814 doet Louis XVIII (een jongere broer van Louis XVI) zijn triomfantelijke intrede in Parijs (Napoleon is dan naar Elba verbannen). Jan en Alleman komt de nieuwe vorst om gunsten vragen; ook Henri Beyle dient een verzoek in. Hij hoopt aangesteld te worden als consul in Rome of Napels. En hij vertrekt weer naar Italië.

Louis XVIII

In januari 1815 verschijnt zijn eerste boek (zijn Histoire de la Peinture á Italy is al wel vrijwel af, maar zal pas in april 1817 gepubliceerd worden): een levensbeschrijving van Haydn (die voor het grootste deel schaamteloos is gekopieerd uit een ander boek), gevolgd door het leven van Mozart (waarin hij wel origineel is: het genie van Mozart wordt in die tijd nog nauwelijks herkend) en wat aantekeningen omtrent de librettist Metastasio. Hij beleeft er weinig plezier aan, hij staat op dat moment volkomen onverschillig t.o.v. zowel zijn geschreven werk als de politiek van die dagen. (Hij moet deze tijd werkelijk beleefd hebben als een dieptepunt van zijn leven; later bekent hij zelfs een zelfmoordpoging te hebben gedaan). Hij hoort dat Napoleon van Elba is ontsnapt, maar de gebeurtenissen die uiteindelijk zullen leiden tot de slag bij Waterloo (18 juni 1815) zijn voor hem geen aanleiding om terug te keren naar Frankrijk. Ook omdat hij zeker geen voorstander is van de restauratie onder Louis XVIII (door de geallieerde overwinnaars aan Frankrijk opgedrongen). Wel reageert hij opgelucht na de definitieve nederlaag van Napoleon: “Wanneer Napoleon had gewonnen, waren we net zo verblind geraakt door militaire glorie als in 1812.”

Hij is op alle mogelijke gebieden gefrustreerd: de liefde (zijn Italiaanse maitresse Angela Pietragrua houdt de boot af en hij krijgt nieuws dat de bewonderde Mme. Daru in het kraambed is overleden), zijn intellectuele leven, maar ook zijn ambities m.b.t. een carrière. En omdat zijn vader weigert hem een ruime uitkering te geven, zijn er ook financiële problemen. (Wanneer zijn vader in 1819 sterft laat hij hem een berg schulden en een slechts minimaal inkomen na).

In 1816 ontmoet hij lord Byron, volgens Beyle de grootste levende dichter (later zal hij ook Shelley ontmoeten). Hij raakt in de ban van de Engelse Romantiek, die volgens hem verreweg superieur is aan de Duitse. Ook de Engelse politiek interesseert hem; die is op dat moment verlichter dan de Franse, want in zijn vaderland waait nu weer een conservatieve wind.
In 1817 maakt hij zijn eerste reis naar Londen.
Later, in Italië, verklaart hij zich, in het kader van de ‘oorlog’ tussen romantici en classicisten, een fervent romanticus: “Ik ben een wilde romanticus, dat wil zeggen: ik ben voor Shakespeare tegen Racine en voor lord Byron tegen Boileau [de Franse theoreticus van het classicisme]”

Lord Byron

Zijn boek over Rome, Napels en Florence uit 1817 (een boek dat ondanks de titel vooral gaat over Bologna en Milaan, dat hij aanduidt als Italië’s intellectuele hoofdstad) is het eerste dat hij onder de naam Stendhal (‘M. de Stendhal, officier de cavalerie’) laat verschijnen, afgeleid van de naam van een plaats in Pruisen. O.a. Goethe is ervan onder de indruk.

In datzelfde jaar begint hij (in Milaan) aan een boek over Napoleon dat een behoorlijk objectieve beschrijving geeft van diens leven (door iemand die de keizer van dichtbij heeft meegemaakt en met hem op campagne is geweest), van zijn geboorte tot en met de honderd dagen van de ontsnapping van Elba tot aan Waterloo. Het boek blijft, zoals zoveel van zijn werk, onafgemaakt.

Hij ontmoet de vrouw die de grote (onbeantwoorde) liefde van zijn leven zal worden: Matilde Dembowski, echtgenote van een Poolse legerofficier. Het zal later de inspiratie worden voor zijn verhandeling De l’Amour. Het was onvermijdelijk dat hij zo’n boek zou schrijven – over de passie (de Liefde) die hem sporadisch geluk, maar vooral ook veel pijn en kopzorg opleverde en talloze uren van studie, verlangen en reflectie bracht: zijn persoonlijk wetenschap van het geluk (dat voor hem onverbrekelijk verbonden was met de liefde. Hij beschouwde De l’Amour zelf als zijn belangrijkste boek; het is in elk geval zijn meest persoonlijke werk. Echter: in het jaar van publicatie werden er welgeteld zeventien exemplaren van verkocht.

Biografe Joanna Richardson schrijft deze mooie zinnen over De l’Amour:
“Beyle delights in the depths of despair. He always draws a purer and more vital poetry from his griefs than he does from his happiness. De l’Amour was a confessional, inspired by the most profound, unhappy and significant love of his life. His disappointments in love are as beautiful as operas by Mozart, for he enriched them with all his imagination.”

En zelf schrijft hij wanneer hij de laatste hand legt aan het boek:
“Ik ging naar mijn mooie kamer op de derde verdieping en ik corrigeerde met tranen in mijn ogen de drukproeven van De l’Amour. Dit boek had ik in Milaan in mijn heldere ogenblikken met potlood geschreven. Het maakte me ziek er in Parijs aan te werken, ik heb het nooit meer in orde willen maken.”

Wanneer Matilde op 1 mei 1825 sterft aan de gevolgen van een longontsteking, schrijft hij in een kopie van De l’Amour deze datum, met daaronder de woorden: Dood van de auteur.

In 1823 verschijnt zijn Vie de Rossini. Het werd hem niet in dank afgenomen dat hij schreef over een componist die geen Fransman was; men zag het als een onpatriottische daad (van een auteur die ook al Shakespeare boven Racine stelde en meer geïnteresseerd leek in de Italiaanse en Engelse cultuur dan in de Franse). Toch heeft zijn boek geholpen om de Italiaanse muziek in Frankrijk te introduceren en Rossini werd uiteindelijk zeer populair in Parijs.

Als iets uit boek blijkt, dan is het in de eerste plaats Stendhals grote liefde voor de muziek, vooral opera (n.a.v. zijn eerste bezoek aan Milaan schrijft hij: “In La Scala ben ik werkelijk geboren”). En dat hij daarin ook een zeker niveau van deskundigheid heeft bereikt. Er is nauwelijks een schrijver te vinden die zich zo in muziek heeft verdiept als Stendhal (hoewel wij in Nederland Vestdijk hebben, die, behalve medicus, toch ook een halve musicoloog was). Als romanschrijver had hij zijn leerschool evenzeer bij de Italiaanse opera en Mozart als bij Shakespeare. Zelf stelt hij dat Mozarts Don Giovanni hem meer geleerd heeft dan welk boek ook.

Stendhals opkomst als schrijver valt samen met de opkomst van de Romantiek in Frankrijk (waar hij een fervent aanhanger van was). Het grote voorbeeld was Engeland; de Engelse Romantiek is wellicht de grootste literaire bloeiperiode geweest sinds het Elizabethaanse tijdperk. Maar daar was de romantische beweging in verval geraakt: Shelley, Keats en Byron waren allemaal jong gestorven, Wordsworth schreef al geen poëzie van betekenis meer en het genie van Coleridge was na slechts een paar vruchtbare jaren geheel uitgedoofd geraakt. Maar in Frankrijk werden de principes van de Romantiek uitgedragen door Rousseau, Mme. De Stael en Chateaubriand; jonge auteurs als Lamartine (die Stendhal tijdens een verblijf in Florence uitgebreid leerde kennen) en Victor Hugo publiceerden hun eerste gedichten. De Classicisten bleven vasthouden aan de destijds geformuleerde, onveranderlijke regels van Boileau (eind 17e eeuw) en aan de voortdurende cultivering van wat correct was en vooral onpersoonlijk; in de ogen van de Romantici een hopeloos verouderde literatuuropvatting. Vrijheid van expressie (en dus loskomen van al die regels) was in hun ogen het allerbelangrijkste.

Boileau

Stendhals tweedelige traktaat Racine et Shakespeare was zijn bijdrage aan het felle debat tussen Classicisten en Romantici: Racine werd in Frankrijk gezien als de perfecte belichaming van de regels van Boileau, zoals de eenheid van tijd, plaats en handeling; een regel die Shakespeare geheel aan zijn laars lapte; Shakespeare was het boegbeeld van zowel de Engelse als de Franse Romantici.
(De strijd tussen de Classicisten en Romantici werd definitief beslecht op de avond van 25 februari 1830: de première van Victor Hugo’s Hernani, een tragedie die brak met alle bestaande literaire conventies en een symbool werd van de nieuwe literatuur.
Stendhal en Hugo, twee giganten van de Franse Romantiek, lagen elkaar overigens niet erg).

Hoewel hij dus duidelijk stelling neemt in deze ideeënstrijd en zichzelf als aanhanger van de Romantici presenteert, heeft hij toch ook zo zijn bedenkingen: hij vond de aanhangers van de Romantiek te vaag, te weinig exact in hun beschrijvingen van de werkelijkheid. In Racine et Shakespeare zegt hij: “Misschien moeten wij in onze ideeën romantisch zijn: dat is de eis van deze tijd; maar laten wij klassiek zijn in onze stijl.”

In 1827 verschijnt Stendhals eerste roman Armance. Een criticus claimt dat Stendhal, bij het ochtendgloren van de Franse Romantiek, de eerste moderne roman heeft geschreven. Wat vooral bijzonder is aan Armance, is dat Stendhal daarin schrijft over sexuele impotentie, maar op zo’n terughoudende wijze dat het woord ‘impotentie’ nergens expliciet genoemd wordt; sterker nog: als hij er niet in een brief over geschreven had (en daar dus wél expliciet), zouden veel van zijn lezers nooit geweten hebben wat het geheim is dat het leven van de held, Octave de Marivart, verwoest.
Een criticus schrijft dat Octave de Marivart het neefje is van Werther (Goethe), René (Chateaubriand), Adolphe (Benjamin Constant) en Obermann (uit een destijds populaire brievenroman, geschreven in navolging van Rousseau’s Nouvelle Hëloïse), ‘maar wel één uit een jonge tak van die familie’.

Maar dan, in de nacht van 25 op 26 oktober 1829, in Marseille, krijgt hij ‘het idee van Julien’: het is de eerste aanzet tot zijn eerste meesterwerk le Rouge et le Noir (Julien Sorel is de hoofdpersoon) én de eigenlijke geboorte van de briljante romanschrijver Stendhal. Een maand later neemt hij een eerste opzet van de roman mee naar Parijs, om die in de eerste maanden van 1830 te voltooien.

Datzelfde jaar krijgt de publieke carrière van Stendhal een nieuwe impuls. Dat was een gevolg van de politieke ontwikkelingen. Al van jongs af aan had Henri Beyle een grote afkeer gehad van de Bourbons – en dus ook van het regime dat sinds de Restauratie weer aan de macht was in de persoon van Charles X. Deze kon echter op steeds meer weerstand rekenen, zeker nu hij maatregelen nam om de representatieve democratie te muilkorven en de pers tot zwijgen te brengen – in wezen een verkapte staatsgreep. Het leidde in juli 1830 tot protesten en straatgevechten en het uiteindelijke aftreden van Charles, die vervangen werd door Louis Philippe, waarmee een constitutionele monarchie werd ingesteld, die Beyle’s volledige instemming had. Hoewel hij óók van Louis Philippe geen hoge dunk had; hij noemt hem ‘le plus fripon des Kings’ (de schurkachtigste aller koningen).
Maar de nieuwe politieke situatie was voor hem wel aanleiding te solliciteren naar de post van consul in één van de Italiaanse districten. Zijn liberale opvattingen spelen hem daarbij parten; zo voorkomt de Oostenrijkse staatsman Metternich persoonlijk dat hij consul wordt in Triëst. Uiteindelijk wordt zijn standplaats Civitavecchia, een kustplaats ten noordwesten van Rome.
Kort na zijn vertrek naar Italië wordt de publicatie van le Rouge et le Noir aangekondigd. Dat was in november 1830.

Hoewel Stendhal één van de grootste romanschrijvers van de 19e eeuw is, had hij te weinig fantasie om zelf een goede plot te verzinnen. De basis voor le Rouge et le Noir (Het Rood en het Zwart is de Nederlandse titel) ligt dan ook in de actuele werkelijkheid; de aanleiding voor de roman wordt gevormd door twee krantenberichten. Het eerste betreft een moordzaak uit 1829: ene Adrien Lafargue was verraden en verlaten door zijn maîtresse, schoot haar dood en deed daarna een poging zelfmoord te plegen. Een crime passionel, favoriet gegeven bij de Romantici. Stendhal heeft zijn Julien Sorel wat trekken van Lafargue gegeven, maar hij realiseerde zich ook dat het nog onvoldoende was om hem zijn roman te laten dragen. Het was een incomplete schets van het soort held dat hij wilde: jong en en intelligent, ambitieus en dominant, met een sterke neiging tot opstandigheid, maar ook een grote behoefte aan liefde.

Toen las hij in de krant de geschiedenis van Antoine Berthet, wiens rechtszaak in 1827 had plaatsgevonden in zijn geboorteplaats Grenoble. Deze Berthet was huisleraar van de kinderen van een M. Michoud en werd de geliefde van Mme. Michoud. Binnen een jaar werd hij daarom ontslagen. Ook bij zijn volgende werkgever speelde iets soortgelijks; ook daar werd hij de laan uitgestuurd. Hij deed pogingen priester te worden, maar geen seminarie wilde hem accepteren. Tenslotte, in een kerk, op het moment van de communie, schiet hij op Mme. Michoud en vuurt vervolgens het pistool af op zichzelf. Beide schoten zijn niet fataal; maar Berthet wordt veroordeeld en geëxecuteerd.

“Heren, ik heb niet de eer tot uw klasse te behoren”, verklaart Julien Sorel aan de rechters die hem ter dood zullen veroordelen, “U ziet in mij een boerenzoon die in opstand is gekomen tegen de nederigheid van zijn lot.”

De parallellen tussen Antoine Berthet en Julien Sorel zijn zeker opmerkelijk; toch is ook deze affaire niet meer dan een opstapje voor de roman die oneindig veel rijker is dan het navertellen van twee fataal afgelopen liaisons zou kunnen zijn.

Ik ga in een volgend stuk uitgebreid op de roman in.


Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *