Het tweede deel van Poems in Two Volumes eindigt met de Immortality Ode, of, zoals de volledige titel luidt: Ode: Intimations of Immortality from Recollections of Early Childhood.

Het gedicht gaat over iets, een visionaire kracht, die in de loop van ons leven (of in elk geval in Wordsworth’s leven) verloren gaat, wat tot wanhoop kan leiden, maar uiteindelijk ingewisseld wordt voor iets anders, dat even waardevol is en daarom weer hoop geeft.
De al genoemde regels “Whither is fled the visionary gleam? Where is it now, the glory and the dream?” wijzen op datgene dat we zijn kwijtgeraakt en staat aan het einde van de vierde strofe, die de afsluiting is van het eerste deel van het gedicht.
Vervolgens preciseert het gedicht waar die ‘visionary gleam’ ooit vandaan kwam: we krijgen hem bij onze geboorte mee.
“Our birth is but a sleep and a forgetting:
The Soul that rises with us, our life’s Star / hath had elsewhere its setting / and cometh from afar:
not in entire forgetfulness / and not in utter nakedness / but trailing clouds of glory do we come / from God, who is our home…”
En dus: “Heaven lies about us in our infancy!”
Echter, er vormen zich schaduwen rondom het opgroeiende kind, die ‘four year darling of a pygmy size’. Dat kleine kind, nog ‘glorious in the might of untamed pleasures’, staat, sneller dan je zou denken, een verlies te wachten, het blijft niet allemaal zo stralend en onbedorven!
“Full soon thy Soul shall have her earthly freight / and custom lie upon thee with a weight / heavy as frost, and deep almost as life!”: einde van het tweede deel van het gedicht.
En toch: het derde en laatste deel van het gedicht zal triomfantelijk en vreugdevol eindigen. De eerste vier strofen van het gedicht stellen het probleem; de volgende vier vormen een negatieve reactie daarop; de laatste drie juist een positieve.
Het eenheid scheppende principe door deze ontwikkeling heen is wat Wordsworth zelf ‘natural piety’ noemde – een hooggestemd gevoel van vroomheid dat zijn basis heeft in de natuur en wat die in onze geest bewerkstelligt. Wordsworth duidt daarmee niet op iets religieus-mystieks, maar op iets dat een fenomenologische realiteit heeft (hoewel het gevoel van eenheid waar hij tenslotte bij uit komt volgens mij wel degelijk een religieuze dimensie heeft). Wordsworth’s gedicht is het verslag van een innerlijke ontwikkeling dat echter puur beschrijvend is; en hij gebruikt slechts twee middelen daartoe: zintuiglijke waarnemingen en de herinnering daaraan, wat zij in de geest achterlaten.
Om die ontwikkeling in enkele woorden samen te vatten: het gegeven van de natuurlijke wereld vult ons met vreugde; we raken er vervolgens in gevangen (alles lijkt dof en levenloos te worden); maar als we op de kracht van de natuur (die tegelijkertijd onze eigen innerlijke kracht is; binnen = buiten) vertrouwen, dan worden we daardoor gered.
Het gegevene in de Ode is: ‘the things that I have seen’. Dan volgt de beknelling (‘I now can see no more’); en aan het eind is er de ‘sober coloring’ die de finale compensatie biedt voor het verlies van de oorspronkelijke schittering, de glory.
Kinderlijke vreugde – een Val in de Natuur – redding door diezelfde Natuur.
Het kind is in de Ode de Natuurlijke Mens; de volwassen dichter de Imaginatieve Mens, die zijn verbeeldingskracht in kan zetten. Daartussenin de tijdelijk gevangen mens, de neerslachtige mens zoals die ook geschilderd wordt in één van de allerbeste gedichten van Samuel Taylor Coleridge: Dejection, an Ode.
Het Kind is de Vader van de Mens; als motto heeft Wordsworth boven zijn gedicht geschreven: “The child is father of the man; and I could wish my days to be / bound each to each by natural piety.”
Het is daarom dat aan het einde van het tweede deel het omslagpunt van het gedicht ligt. Het eerder aangehaalde ‘ heavy as frost, and deep almost as life’ slaat onmiddellijk in het begin van de daaropvolgende strofe om in : “O joy! that in our embers is something that doth live / that Nature yet remembers what was so fugitive!”
Iets dat de Natuur in ons zich weet te herinneren, iets dat weggevlucht was, iets dat bij de wereld van het kind hoorde, komt nu weer tevoorschijn (vandaar dat het kind de vader is van de volwassen man), is nu weer beschikbaar – en datgene is cruciaal in het slot van de Ode. Niet dat de glory nog kan worden teruggehaald. Die is voor altijd verdwenen, de Intimation [in de zin van: hint, suggestie] of Immortality die we toen in staat waren te voelen – een besef van totale harmonie, het gevoel dat alles met alles samenhangt. Het verlies daarvan is het eerste besef van onze (fysieke) sterfelijkheid. Het Kind stuit op deze grens, is wel gedwongen daar kennis van te nemen, het is onoverkomelijk. Maar het Kind, zoals dat voortleeft in de opgroeiende mens, bevecht de sterfelijkheid en voelt voor het eerst iets dat de plaats gaat innemen van dat verloren gevoel van harmonie en continuïteit, maar daar tegelijkertijd ook op terug gaat: “those first affections, those shadowy recollections / which, be they what they may, are yet the fountain light of all our day / are yet a master light of all our seeing.”
‘Shadowy recollections’ wijst terug naar de oorspronkelijk ervaren eenheid met de externe wereld. Die is weg, maar wat er voor in de plaats komt maakt deel uit van de groei van het Kind naar zelfbewustzijn, naar volwassenheid. Voor de Imaginatieve Mens is de oorspronkelijke waarneming van het Kind nog beschikbaar in de herinneringen die oplichten in het heden (‘fountain light of all our day’, ‘master light of all our seeing’) en daar de weg wijzen.
We komen nu uit bij waar de Ode daadwerkelijk over gaat: ons afgescheiden zijn van een oorspronkelijke wereld en als gevolg daarvan: het besef van ons Zelf en van onze sterfelijkheid – maar ook over de imaginatieve kracht die dat afgescheiden zijn kan overwinnen en weer een onsterfelijkheid suggereert die geworteld is in een doorvoeld bewustzijn van (opnieuw) eenheid: met andere mensen, met het universum.
Dat gevoel van eenheid wordt in deze regels weergegeven:
“Hence in a season of calm weather though inland far we be / our Souls have sight of that immortal sea which brought us hither / can in a moment travel thither,
And see the Children sport upon the shore
And hear the mighty waters rolling evermore.”
Juist de aanwezigheid van die kinderen is hier essentieel. Dat we in staat zijn terug te reizen naar het grensgebied, naar de kust waar zij aan het spelen zijn, wil ook zeggen dat we ons weer één met hen kunnen voelen. Het is de wereld die William Blake aanduidt als Beulah, en die zowel te maken heeft met kinderlijke onschuld als met verbeeldingskracht.
Wat we uiteindelijk terugkrijgen is anders dan de schittering die we ons herinneren, het is door de filter van ons innerlijk gegaan en heeft (mede door het ondergane verdriet) daardoor een diepgang gekregen die voor de volwassen mens van ongekende waarde is:
“Though nothing can bring back the hour of splendour in the grass, of glory in the flower / we will grieve not, rather find strength in what remains behind …
in the soothing thoughts that spring out of human suffering /
in the faith that looks through death / in years that bring the philosophic mind.”
De slotregels van het gedicht, waarin alles, de onschuld van de jonge jaren en de verdieping van de oude dag, wordt samengenomen, ontroeren mij telkens weer:
“I love the Brooks which down their channels fret even more than when I tripped lightly as they / The innocent brightness of a newborn Day is lovely yet / The Clouds that gather round the setting sun / do take a sober colouring from an eye that hath kept watch o’er man’s mortality.
Another race hath been, and other palms are won.
Thanks to the human heart by which we live,
Thanks to its tenderness, its joys, and fears,
to me the meanest flower that blows can give / thoughts that do often lie too deep for tears.”
Een ander hoogtepunt uit de verzameling is het gedicht Resolution and Independence, over een ontmoeting tussen een reiziger, de ik-figuur van het gedicht (waarin we Wordsworth zelf kunnen zien) en een oude man, die een Leech gatherer blijkt te zijn: hij gaat meertjes en vijvers af om bloedzuigers te verzamelen (en ter verkoop aan te bieden, ze werden in die tijd veelvuldig gebruikt voor aderlating).
Er is een storm geweest, maar het weer is nu opgeklaard: de zon schijnt en de vogels zingen, ‘and all the air is filled with pleasant noise of waters’. Het gras glimt van de regendruppels en een haas ‘with her feet she from the plashy earth raises a mist, that, glittering in the sun / runs with her all the way’.
Dan verschijnt de reiziger, die in eerste instantie geheel en al één is met de stralende natuur om hem heen. Hij noemt zichzelf ‘a happy child on earth’. Maar dat gevoel van eenheid is niet blijvend:
“But, as it sometimes chanceth, from the might / of joys in minds that can no further go / as high as we have mounted in delight / in our dejection do we sink as low / to me that morning did it happen so;
And fears and fancies thick upon me came / dim sadness—and blind thoughts, I knew not, nor could name.”
De geest van de kunstenaar, de dichter, nadert zijn creatieve grens en valt dan terug in neerslachtigheid: ‘dim sadness’, een naamloos verdriet, een fundamentele angst die zijn hele wezen doortrekt. Hij heeft geleefd ‘in pleasant thought, as if life’s business were a summer mood’, maar nu dringt de stemming van herfst en de daaropvolgende winter zich op: “Solitude, pain of heart, distress, and poverty”. Het is het lot van de dichter, de creatieve mens, die de gelukkigste van alle mensen zou moeten zijn (“By our own spirits we are deified”, schrijft Wordsworth), maar tegelijkertijd getekend is door zijn kunst en zijn speciale gevoeligheid. Die crisis komt tot een hoogtepunt in de strofe waarin Wordsworth met name de ongelukkige dichters Thomas Chatterton, de marvellous boy, die zeventien jaar oud zelfmoord pleegde en de ‘dichter-ploeger’ Robert Burns, die, afkomstig uit een boerenfamilie, the Ploughman Poet of Scotland werd genoemd, aan zware depressies leed en al op zijn 37e overleed:
“I thought of Chatterton, the marv’llous Boy / the sleepless Soul that perished in his pride;
Of Him who walked in glory and in joy / following his plough, along the mountain-side…”

Waarop de al eerder geciteerde regels volgen: ““We poets in our youth begin in gladness; but thereof come in the end despondency and madness”
Chatterton, die de overgang van de blij gestemde lentetijd van zijn leven naar de zomer van zijn poëtische volwassenheid nooit heeft kunnen maken en het leven van Robert Burns dat eindigde in droefenis en ellende, kapot gegaan aan zijn roeping als dichter.
Op dit punt is Wordsworth’s verbeelding op een dood punt aangeland. Wat hij nu nodig heeft is, zoals hij schrijft, ‘a peculiar grace’, ‘a leading from above’.
Dan: “… in this lonely place … beside a pool … I saw a Man before me: the oldest man he seemed that ever wore grey hairs.”
Wordsworth karakteriseert de man als ‘not all alive nor dead, nor all asleep’: hij lijkt zich te bewegen tussen leven en dood, tussen slaap en waken. Hij loopt extreem voorover gebogen: “feet and head coming together … as if some dire constraint of pain, or rage / of sickness felt by him in times long past / a more than human weight upon his frame had cast.”
Toch heeft de oude man een mysterieus soort waardigheid:
“Himself he propped, limbs, body, and pale face / upon a long grey staff of shaven wood [het enige aan hem dat rechtop staat]: And, still as I drew near with gentle pace / upon the margin of that moorish flood / motionless as a cloud the old Man stood…”
Wanneer de ik-figuur hem aanspreekt: “This is a lonesome place for one like you”, legt de oude man hem uit wat zijn dagelijkse bezigheid is (‘to these waters he had come to gather leeches’), maar met zijn antwoord lijkt de Leech-gatherer in het bewustzijn van de ik-figuur langzaam te vervagen:
“The old Man still stood talking by my side / but now his voice to me was like a stream / scarce heard; nor word from word could I divide / and the whole body of the Man did seem / like one whom I had met with in a dream / or like a man from some far region sent, to give me human strength…”
Dat laatste, human strength, lijkt een gift te zijn van de Leech-gatherer die Wordsworth’s redding kan betekenen, maar voorlopig maken zijn angst, zijn somberheid en zijn dwaze egocentrisme het hem onmogelijk die gift te accepteren:
“My former thoughts returned: the fear that kills / and hope that is unwilling to be fed / cold, pain, and labour, and all fleshly ills / and mighty Poets in their misery dead.
– Perplexed, and longing to be comforted / my question eagerly did I renew: “How is it that you live, and what is it you do?”
Natuurlijk heeft de Leech-gatherer die vraag allang beantwoord, maar Wordsworth was er niet bij met zijn gedachten en de vraag die hij eigenlijk zou moeten stellen, krijgt hij maar niet over zijn lippen: hoe hou je dit alles vol? Of, om met de titel van het gedicht te spreken: waar vind je de Resolution om zo vasthoudend Independence na te streven?
Iets waartoe de dichter zelf kennelijk niet in staat is.
Die vasthoudendheid blijkt ook uit het antwoord op de gestelde vraag: “”Once I could meet with them [de leeches] on ev’ry side / but they have dwindled long by slow decay; Yet still I persevere, and find them where I may.”
Yet still I persevere – deze woorden werken bevrijdend voor de dichter; in zijn verbeelding krijgt hij nu een beeld van deze oude man, zoveel minder met gaven en rijkdommen toegerust als hijzelf, maar altijd blijmoedig en doelgericht in zijn missie en volkomen thuis in de natuur waarvan hij op volkomen vanzelfsprekende wijze deel uitmaakt:
“In my mind’s eye I seemed to see him pace / about the weary moors continually / wand’ring about alone and silently.”
Wordsworth voelt zich nu helemaal opgeladen en verfrist, nu hij door deze oude man een aanwijzing heeft gekregen voor de natuurlijke kracht die het menselijk hart eigen is: “… to find in that decrepit Man so firm a mind…
I’ll think of the Leech-gatherer on the lonely moor!”
In de jaren die volgen (1808-1810) komt het tot een steeds verdere verwijdering tussen Wordsworth en Coleridge. De laatste brengt regelmatig weken door bij de Wordsworths, maar hij is moeilijk in de omgang, niet in de laatste plaats door zijn drank – drugsgebruik. Hij is vaak ziek.
De bewondering die Coleridge koesterde voor Wordsworth’s genialiteit (en die toch ook wel dweperige, overdreven vormen aannam) was omgeslagen in bitterheid en jaloezie. Hij was jaloers op Williams succes; zijn gezondheid in geest en lichaam, zijn stabiliteit (allemaal zaken waar Coleridge niet op kon bogen) en, misschien nog wel het meest, op zijn huiselijke geluk (dat overigens binnen kort wel op de proef gesteld zou worden; in 1812 verloren de Wordsworths twee van hun vijf kinderen). In 1810 kwam het tot een definitieve breuk: Coleridge was ter ore gekomen wat Wordsworth tegen een vriend over hen gezegd had (Coleridge zou een ‘absolute nuisance in the family’ zijn geworden en was een ‘rotten drunkard’). Op zijn beurt verweet Coleridge zijn voormalige vriend dat hij tot krankzinnigheid gedreven was door diens wrede en onrechtvaardige gedrag jegens hem.

Ik schreef al dat Wordsworth en Coleridge zulke verschillende persoonlijkheden waren. In de eerste jaren na hun ontmoeting hebben ze elkaar wel degelijk wederzijds beïnvloed, de Lyrical Ballads waren een gezamenlijke inspanning: weliswaar was het leeuwendeel van de hand van Wordsworth, maar Coleridge speelde een grote rol bij de redactie en publicatie van de bundel en hij heeft zich tot het uiterste ingespannen om Wordsworth als dichter aan de man te brengen. Zijn eigen poëzie vond hij van inferieure kwaliteit t.o.v. die van zijn compagnon (volkomen onterecht natuurlijk wanneer je in aanmerking neemt dat in het eerste jaar van hun samenwerking meesterwerken alsThe Ancient Mariner en Kubla Khan tot stand kwamen) en hij is ook al snel gestopt met het schrijven ervan.
Wordsworth is nooit rijk geworden van zijn poëzie (zelf weet hij dat aan het feit dat zijn werk nooit had aangesloten bij de mode van de dag en hij ook niet bereid was daaraan concessies te doen); sterker nog, in 1812 raakte hij dusdanig in de financiële problemen dat hij moest gaan uitkijken naar een betrekking. Een bevriende edelman bezorgt hem de positie van Distributor of Stamps for Westmorland: niet stamps in de zin van: postzegels, maar stempels. In Wordsworth’s tijd hadden alle wettelijke documenten, verzekeringspolissen, boeken en pamfletten een overheidsstempel nodig, waarvoor je terecht kon bij plaatselijke winkeliers en handelaren. William kreeg hierover in zijn regio de supervisie: hij werd dus in feite een inner van belastingen, een overheidsambtenaar. Het was geen erebaantje, het was hard werken. (Hij deed het tot zijn 72e; toen ging de functie over op zijn zoon Willy). Hij kwam daarmee te staan in een illustere traditie: de dichters Geoffrey Chaucer, Edmund Spenser en John Milton hadden allemaal vergelijkbare overheidsfuncties vervuld.
Ook het lange gedicht dat hij in 1814 publiceerde, The Excursion, was geen verkoopsucces; het kreeg bovendien slechte kritieken, zelfs van bevriende auteurs als Charles Lamb en William Hazlitt.

Coleridge, met wie inmiddels een soort van verzoening had plaatsgevonden, achtte het gedicht inferieur aan het nog steeds niet gepubliceerde The Prelude, wat beslist ook zo is. Francis Jeffrey, hoofdredacteur van de Edinburgh Review, één van de belangrijke periodieken op het gebied van literatuur in die tijd, opende zijn (buitengewoon negatieve) recensie van The Excursion met de woorden: “This will never do.”
Wordsworth deed alsof hij boven dit alles stond en de kritiek hem niet raakte, maar net als na de publicatie van zijn vorige collectie, Poems in Two Volumes, die ook weinig succesvol was en slecht ontvangen werd, heeft hij serieus overwogen om met poëzie te stoppen. Bovendien had hij gehoopt nu eindelijk eens serieus geld te gaan verdienen met zijn creatieve werk.
Merkwaardig genoeg begint rond 1820, als zijn belangrijkste werk allang achter hem ligt, het tij te keren. De publicatie in 1817 van het literair-filosofische meesterwerk van Coleridge, de Biographia Literaria, waarin hij schrijft dat Wordsworth ‘stood nearest of all modern writers to Milton and Shakespeare’, zal daaraan zeker hebben bijgedragen. Een serie sonnetten over de River Duddon (een rivier in het Lake District) vormen een soort van doorbraak. Hij is nu algemeen geaccepteerd, de recensies zijn positief en vrijwel alle collega-schrijvers van zijn tijd moeten toegeven dat Wordsworth één van Engelands grote dichters is. Hoewel zijn poëzie nog steeds niet echt goed verkoopt (zijn best verkopende boek heeft niets met zijn poëzie te maken, het is een reisboek over het Lake District, Guide to the Lakes), is zijn naam nu gemaakt. Er komen dagjesmensen speciaal naar het Lake District in de hoop een glimp van de grote dichter op te vangen.
Sterker nog: er staat geregeld een lange rij mensen bij het hek van Rydal Mount, het huis waar Wordsworth van 1813 tot zijn dood in 1850 gewoond heeft. En wanneer hij in Londen is moet hij vaak drie keer ontbijten om iedereen te kunnen spreken die hem wil ontmoeten.

Men is het er in het algemeen wel over eens dat de Great Decade van Wordsworth’s poëtische carrière de jaren tussen, grofweg, 1795 en 1805 zijn geweest. Hij heeft zelf verschillende keren gezegd dat hij meende dat zijn muze hem had verlaten; hij schrijft nog wel, maar gedichten van weinig belang, die nu ook nauwelijks meer gelezen worden.
Hij blijft schaven aan The Prelude, het lange autobiografische gedicht dat in 1839 eindelijk af is, waarna hij het weg legt. Het had een onderdeel moeten zijn van een veel groter project dat zijn grote meesterwerk had moeten worden, The Recluse – maar daar is het nooit van gekomen.
The Prelude is pas kort na Williams dood, in 1850, gepubliceerd, maar kreeg toen niet veel aandacht; inmiddels wordt het beschouwd als één van zijn belangrijkste werken; ik zal er nog een afzonderlijk stuk aan wijden.
De jaren 1830 waren voor Wordsworth geen gelukkige tijd. Hij was vaak neerslachtig en depressief, mede door zijn gebrek aan poëtische inspiratie, maar hij maakte zich ook zorgen over de politieke situatie in Engeland; zijn geliefde zuster Dorothy bleek aan een geestesziekte te lijden waar ze niet meer van herstelde en een aantal bevriende collega-schrijvers overleed, alsook zijn trouwe huisgenote Sarah Hutchinson.

Sir Walter Scott, jarenlang een goede vriend, stierf in 1832, Coleridge in 1834 (Wordsworth en hij hadden elkaar de laatste vier jaar van zijn leven niet meer gezien) en Charles Lamb een paar maanden later.

Robert Southey, nu veel minder bekend dan Wordsworth en Coleridge, maar destijds beschouwd als de derde van de Lake Poets, was nog wel in leven, maar ‘his mind had gone’, zoals Wordsworth het noemde. Toen hij stierf (in 1843) volgde Wordsworth hem op als Poet Laureate (Dichter des Vaderlands zouden wij nu zeggen), een blijk van de erkenning die hem in middels ten deel was gevallen (hij kreeg ook een eredoctoraat in Oxford; zijn oude college in Cambridge liet een portret van hem schilderen om daar als eerbetoon op te hangen). In 1845 ontmoet hij Queen Victoria.
Wordsworth werd een stuk milder en minder reactionair op zijn oude dag; hij begon in te zien dat de door hem zo gevreesde politieke vernieuwing (de Reform Bill) de Britse natie niet in de afgrond had gestort. Volgens biograaf Hunter Davies kun je dan ook spreken van drie Wordsworths: “the radical youth, the solid reactionary middle-aged citizen and the liberal, mellow old man.”

Hij was nu de laatste van de grote Britse schrijvers: niet alleen Coleridge en Walter Scott waren dood, de drie belangrijkste dichters van de volgende generatie romantici waren allen jong gestorven: Keats in 1821, 26 jaar oud, Shelley (30 jaar) in 1822 en Byron (36) in 1824. Meer dan 20 jaar was Wordsworth de enige nog levende Romantic Poet. En waar hij vroeger altijd uiterst kritisch was geweest op vrijwel alle jongere dichters die na hem kwamen, sprak hij nu zijn waardering uit voor iemand als Tennyson, die nog aan het begin van zijn carrière stond en door Wordsworth ‘the first of our living poets’ werd genoemd.

William Wordsworth sterft op 23 april 1850 (de verjaardag van Shakespeare en St. George’s day, Engelands nationale dag), ruim twee weken na zijn 80e verjaardag.
Hunter Davies beschrijft het als volgt:
“… the doctors told Mary he was dying. She went into the room and told him very gently: ‘William, you are going to Dora’ [zijn onlangs overleden dochter, de derde van zijn vijf kinderen die hij overleefde; hij is nooit echt over haar dood heengekomen]. He made no reply and she felt perhaps that he had not heard her. Next day, when his niece came into his room, William awoke and said: ‘Is that Dora?’”
Geef een reactie