William Wordsworth is in 1770 geboren in Cockermouth in Cumberland, aan de rand van het Lake District. Beide ouders sterven jong; zijn moeder als William 8 is, zijn vader als hij 13 is. Desondanks heeft hij vele goede herinneringen aan zijn jeugdjaren; één van de belangrijkste bronnen daarvoor is het lange gedicht The Prelude dat veel autobiografisch materiaal bevat. (Tijdens zijn leven werd er vaak aan gerefereerd als the Poem of his own Life; er is dan wel geprobeerd om alle medescholieren, reizende marskramers of rondzwervende soldaten die in het gedicht voorkomen, terug te voeren op bestaande figuren).
Als jonge jongen hield hij er al van (en kreeg daartoe ook de vrijheid) om lange wandelingen in de heuvels te maken; op latere leeftijd zegt hij daarover:
“I was often unable to think of external things as having external existence and I communed with all I saw as something not apart from but inherent in my own immaterial nature. Many times while going to school have I grasped a wall or a tree to recall myself from the abyss of idealism to the reality.”
Ooggetuigen beschrijven hem als iemand die zich urenlang kon overgeven aan stille introspectie.

Hij gaat naar Cambridge met het oog op een toekomstige kerkelijke professie, maar hij vindt het verschrikkelijk daar. De passages in The Prelude die aan deze periode refereren zijn ongewoon heftig en kritisch; in een beroemd geworden regel spreekt hij van ‘a feeling that I was not for that hour, nor for that place’.

Als hij, na zijn eerste jaar aan de universiteit, in de zomervakantie weer terug is in het Lake District, krijgt hij tijdens een wandeling (het is daarna nog vele keren gebeurd, hij getuigt er in zijn poëzie van) een helder inzicht in wat hij met zijn leven wil doen: hij wil ‘a Dedicated Spirit’ zijn – wat vaak is uitgelegd (en ik denk terecht) als een bekrachtiging van zijn roeping als dichter.
In een brief niet lang daarna schrijft hij over het conflict dat hij ervaart tussen ‘small certainties’ (de zekerheid van een kerkelijk inkomen) en ‘Great Talents’ (zijn dichterschap).
Wordsworth zou overigens (verrassend eigenlijk wel, want hij werd een dichter van grote faam) nooit veel geld verdienen met zijn gedichten. In het gedicht Resolution and Independence heet het daarom: “We poets in our youth begin in gladness; but thereof come in the end despondency [een moedeloosheid die zeker ook met zijn comparatieve armoede te maken heeft] and madness”.

William maakt twee reizen naar Frankrijk, de eerste keer tijdens de laatste zomervakantie in Cambridge (hij zet met tegenzin zijn studie voort, maar zonder de ambitie nog kerkelijke examens te zullen doen), in 1790; de tweede keer na voltooiing van zijn studie, in 1791-92. Die eerste keer reist hij te voet; in ieder dorp waar hij doorheen komt zijn er festiviteiten om de dan nog verse revolutie te vieren. Het heeft een grote invloed op hem. Het beeld dat we van Wordsworth hebben is wellicht al te zeer bepaald door de wat suffe oude man die hij in zijn laatste jaren was, die in één huis woonde met zijn vrouw en zijn zuster Dorothy; er kwam toen allang geen belangwekkende poëzie meer uit zijn pen, maar hij werd gevierd als een groot dichter (wat hij op grond van eerder werk natuurlijk ook was). In zijn jonge jaren was er echter een revolutionaire, vrijheidslievende geest in hem en de idealen van de Franse Revolutie zetten hem in vuur en vlam: “Bliss was it in that dawn to be alive / but to be young was very heaven.”

Tijdens zijn tweede bezoek bracht hij enige tijd door in Parijs, kort nadat de koning (Louis XVI) was afgezet en gevangen genomen. De Revolutie kreeg onder Robespierre een steeds gewelddadiger karakter, iets wat William verafschuwde; tegelijkertijd was het een opwindende tijd om in Parijs te zijn en dit alles van dichtbij mee te maken (hoewel hij ook constateert dat er een klimaat van angst heerst in de Franse hoofdstad).

Robespierre

Met Londen had Wordsworth een haat-liefde verhouding. De passages over zijn omzwervingen door de straten van Londen horen tot de mooiste observaties in The Prelude. Maar waar veel schrijvers van zijn tijd vooral oog hebben voor het grootse van de stad, zag Wordsworth, die daarin een voorloper is van Dickens, ook (en eigenlijk vooral) de schaduwzijde: de massa’s en de vuiligheid; het goedkope, platte entertainment op straat; de bedelaars, de prostituees en invaliden.
Zo schrijft hij over ‘out of the way, far-fetched, perverted things / all freaks of nature, all Promethean thoughts / of man, his dullness, madness, and their feats / all jumbled up together, to compose a Parliament of Monsters…’
Hij schetst een beeld ‘… of what the mighty city is herself / to thousands and thousands of her sons / living amid the same perpetual whirl / of trivial objects, melted and reduced / to one identity…’

Charles Lamb, een Londener in hart en nieren, trachtte zijn hele leven lang zijn geboorteplaats te verdedigen t.o.v. Wordsworth en de algehele tendens (zeker ook in de Romantiek) om de stad als het kwaad en het platteland als onschuldig en mooi en goed te zien (iets dat je bijvoorbeeld ook in de gelijktijdig verschenen romans van Jane Austen tegen komt).
Lamb schreef in brieven aan Wordsworth over ‘the lighted shops of the Strand and Fleet Street’, ‘the bustle round about Covent garden…’, ‘the crowds, the very dirt and mud, the sun shining upon houses and pavements, the printshops, the old book stalls, coffee houses, the pantomimes…’. En natuurlijk het theater.
Hij voegt eraan toe: “I don’t much care if I never see a mountain in my life. I have passed all my days in London…”
Ze zouden het nooit eens worden; Wordsworth was immers bij uitstek de man van lange wandelingen door velden en heuvels, opgegroeid in en gevormd door het Lake District.

Een belangrijke ontmoeting is die met de twee jaar jongere dichter Samuel Taylor Coleridge; op dat moment woont William samen met zijn zuster Dorothy in een huisje in Dorset. Hij had een buitengewoon sterke band met zijn zus, veel sterker dan die met zijn latere echtgenote Mary Hutchinson; er is wel gesuggereerd dat zijn serie Lucy gedichten, over een imaginaire geliefde, in wezen over Dorothy zouden gaan.
(Wat hoogst opmerkelijk is, met regels als “When she I loved looked every day fresh as a rose in June” of “Fair as a star, when only one is shining in the sky” – die niet direct op een zuster van toepassing lijken).

Wanneer de drie (Wordsworth, Dorothy en Coleridge) elkaar ontmoeten springt er een speciale vonk over en ze besluiten al snel gedrieëen een huis te betrekken: Alfoxton House in Somerset. Ze waren ‘three people, but one soul’, zo karakteriseert Coleridge hun relatie – waarbij je wel moet bedenken dat Coleridge getrouwd was; zijn vrouw Sara viel geheel en al buiten het verbond.

Wordsworth en Coleridge: ze worden vaak in één adem genoemd, maar als mens hadden ze nauwelijks meer verschillend kunnen zijn. Coleridge hield van gezelschap en maakte op iedereen indruk met zijn briljante conversatie. Hij was een golden boy en trok, met al zijn onstuimigheid en charisma, voortdurend allerlei mensen aan. In korte tijd schreef hij een serie gedichten (The Ancient Mariner, Christabel, Kubla Khan) die tot de klassieken van de Engelse literatuur zijn gaan behoren.

Wordsworth daarentegen was solide en betrouwbaar, voorzichtig en ongepolijst, met een veel tragere geest die echter vele verborgen diepten kende.
En Coleridge verafgoodde Wordsworth: “He is a very great man, I feel myself inferior… The Giant Wordsworth. God love him!”

Wordsworth heeft zich over Coleridge nooit in dergelijke termen uitgelaten, maar zeker is dat hij hem zeer waardeerde; de twee wisselden gedichten uit en Wordsworth stelde het scherpe oordeel van zijn vriend op zijn werk bijzonder op prijs. Wordsworth was een slow starter, maar de ontmoeting met Coleridge markeerde het begin van een veel langere periode van geïnspireerde creatie dan de ander gegeven zou zijn.

Samuel Taylor Coleridge

Samen publiceren de twee de Lyrical ballads (23 gedichten: negentien van Wordsworth, vier van Coleridge), één van de meest invloedrijke dichtbundels uit de geschiedenis van de Engelse literatuur, hoewel het boek in eerste instantie absoluut geen succes was. Wat veel mensen in die tijd bevreemd zal hebben (en tegelijkertijd was dat het absoluut originele daaraan) was de conversatie-achtige toon van de meeste gedichten.
In een inleiding bij de gedichten heeft Wordsworth getracht uit te leggen wat zij ermee beoogden: ten eerste gedichten over de natuur schrijven; ten tweede schrijven over simpele, alledaagse (matter of fact) onderwerpen. Hij moet voorzien hebben dat dat niet naar de zin van velen zou zijn, want hij schrijft: “Readers of superior judgment [zonder twijfel ironisch bedoeld] may disapprove of the style in which many of the pieces were executed. It will perhaps appear to them that the author has sometimes descended too low and that many of his expressions are too familiar and not of sufficient dignity.”
En inderdaad werden de gedichten óf te modernistisch óf simpelweg te banaal beschouwd. De bezwaren golden vooral de vele dorpsidioten en gevallen vrouwen die erin voorkwamen. Je kon wel over bedelaars, marskramers of prostituees schrijven, maar dan moest het op een geromantiseerde, geïdealiseerde wijze.

Het valt nu moeilijk in te zien hoe de gedichten destijds als experimenteel of schokkend konden worden beschouwd; in onze ogen zijn het weliswaar mooie, maar ook zeer traditionele gedichten. Maar toch was met name Wordsworth (zoals we zagen verreweg de belangrijkste bijdrager aan de bundel met 19 van de 23 gedichten) bezig een kleine persoonlijke revolutie te verrichten. Hij ageerde tegen de 18e eeuwse stijl van poëzie schrijven, met al haar bloemrijke versieringen en regels, maar ook tegen de 18e eeuwse cultus van de Rede. Slechts geleidelijk aan kwam er een besef van hoe nieuw en interessant dit werk was. Wat hij zijn lezers trachtte aan te leren was een wijsheid en een moraal te zien in gewone mensen en gewone dingen. Tegelijkertijd was wat hij wilde niet (iets dat hem verweten werd): de poëzie omlaag richten en door het slijk van het doodgewone halen, maar haar te verheffen tot een hoger doel dan de poëzie tot dan toe gehad had: de relatie van de mens te beschrijven met andere mensen, met de Natuur, met het Universum. Het allerhoogste in het allerkleinste, meest banale…

Het bekendste gedicht van de verzameling is tevens het allerlaatste: Lines composed a few Miles above Tintern Abbey. Het gedicht werd pas toegevoegd nadat Wordsworth de bundel als af beschouwde en met zijn zus Dorothy op een wandeltocht door de Wye Valley (op de grens tussen Wales en Engeland) ging. Op de terugweg van Tintern, waar hij de abdij had gezien, kwam het gedicht bij hem op; hij schreef het in drie dagen en bracht het zonder een woord te wijzigen naar de drukker – wat zeer ongewoon was voor hem.

Centraal thema van het gedicht is de verbeelding, het creatieve vermogen van de dichter en de relatie daarvan met de natuur buiten ons. Nu opnieuw getuige van een tafereel in de vrije natuur (de ondertitel van het gedicht luidt ‘On revisiting the banks of the Wye during a tour, July 13 1797’) waaraan hij tot nu toe alleen mooie herinneringen had, komt Wordsworth tot een volledig begrip van zijn poëtische Ik en de wijze waarop dat van die natuur afhankelijk is in haar functioneren en ontwaken.
Er bestaat een wederkerigheid tussen de buitenwereld en de geest van de dichter; in elk geval bij een dichter die zo van de Natuur houdt als Wordsworth, die zo sterk ervaart dat de schoonheid van natuurverschijnselen zijn eigen geest met schoonheid vervult en zijn creativiteit stimuleert.

Er is een verwantschap tussen mens en natuur; een dominant aspect van het ondergane landschap, haar stilte en afzondering, leidt tot innerlijke verdieping bij de dichter in zijn alleen zijn te midden van een groots universum:
“Once again do I behold these steep and lofty cliffs / that on a wild secluded scene impress / thoughts of more deep seclusion; and connect / the landscape with the quiet of the sky.”

Jaren lang gescheiden van het landschap dat hij nu pas weer terug ziet, heeft de dichter het allerminst vergeten, maar zijn herinneringen eraan gekoesterd, met name in uren dat het leven zwaar voelde in de drukte van alledag. Met een ongekend resultaat als gevolg – de herinneringen van de dichter zetten een proces in gang dat hem geheel boven al zijn dagelijkse beslommeringen uittilt:

“… that blessed mood, in which the burthen of the mystery / in which the heavy and the weary weight / of all this unintelligible world / is lightened: – that serene and blessed mood / in which the affections gently lead us on / until, the breath of this corporeal frame / and even the motion of our human blood / almost suspended, we are laid asleep / in body, and become a living soul:
While with an eye made quiet by the power / of harmony, and the deep power of joy,
we see into the life of things.”

De dichter komt hier tot pure contemplatie, geheel losgemaakt van de drijfveren van de wil die ons aan de materiële werkelijkheid geketend houdt. ‘See into the life of things’ wil zeggen: de dingen zien zoals ze werkelijk zijn en niet alleen in het licht van het nut dat ze voor ons kunnen hebben.

Nu hij na al die jaren weer terug komt op die plek, merkt hij dat hij veranderd is, ‘changed, no doubt, from what I was when first I came among these hills’, toen hij nog een en al onstuimigheid, een en al zintuig was en al het hem omringende meteen, rechtstreeks binnen kwam: “a feeling and a love, that had no need of a remoter charm / by thought supplied, not any interest / unborrowed from the eye.”

Die tijd is voorbij en Wordsworth is de ‘dizzy raptures’ die daarbij hoorden kwijtgeraakt. Maar andere gaven hebben hem gecompenseerd voor dat verlies. Wanneer hij nu naar de natuur kijkt, dan hoort hij in haar ‘the still, sad music of humanity’, die het bewijs is van de onverbrekelijke band tussen mens en natuur. Alleen: zijn waarneming en zijn reactie daarop zijn niet meer gelijktijdig, zoals vroeger. Beide helften moeten door een innerlijke beweging, door meditatie (‘in the mind’) samengebracht worden. Wordsworth is er echter duidelijk over dat dit proces ‘buiten’ begint, dat er daar iets gebeurt dat de geest in beweging zet; zonder de liefde van de waarnemer, de dichter in dit geval, voor de schoonheid van de natuur buiten hem, kan die beweging nooit in gang gezet worden.

“A sense sublime of something far more deeply interfused / whose dwelling is the light of setting suns / and the round ocean and the living air / and the blue sky, and in the mind of man:
a motion and a spirit, that impels / all thinking things, all objects of all thought / and rolls through all things.”

Een primaire eenheid die zich gelijktijdig in alle subjecten en objecten manifesteert.
Je zou geneigd zijn om dit visioen als ‘mystiek’ te bestempelen (‘pantheïsme’ is een ander woord dat boven komt), maar het mystieke is dat wat uiteindelijk niet in woorden uit te drukken valt, wat niet communiceerbaar is – en Wordsworth wil juist wél mededelen. Als het al gaat om mystiek, dan om een mystiek van concrete dingen, personen en gebeurtenissen. De nadruk in het Tintern Abbey gedicht ligt op dingen die gezien worden en herinnerd worden, niet op de onzichtbare wereld (hoewel tegelijkertijd valt vol te houden dat het zichtbare, juist in zijn schoonheid en in de grootsheid van het universum, raakt aan het transcendente, dat echter nooit benoemd of onder woorden gebracht wordt).

In de natuur, zowel als binnenin Wordsworth is iets dat ademt en beweegt en zowel het waarnemende subject als de waargenomen wereld van objecten bezielt. Voor het subject, de waarnemer, de dichter die zich middenin de natuur bevindt is dit iets zelfs de basis van zijn moraliteit. De dichter is ‘well pleased to recognise in nature and the language of the sense / the anchor of my purest thoughts, the nurse / the guide, the guardian of my heart, and soul of all my moral being’.

De volwassen liefde van de mens voor de natuur, zoals Wordsworth die nu ervaren kan, leidt tot liefde voor andere mensen; de esthetische waarde die hij aan de natuur toekent, wordt tot de basis van zijn moreel gevoel. De ziel van de mens als ethisch wezen is innerlijkheid en tegelijkertijd is zij een afspiegeling van de natuur.

Het laatste deel van het gedicht is verrassend; Wordsworth richt zich daar tot zijn tochtgenoot, zijn zuster Dorothy. Hij ziet haar als een incarnatie van zijn vroegere zelf, als iemand die nog steeds de rechtstreekse vreugdevolle communicatie met de natuur kent, zoals hij die alleen in zijn jeugdjaren ervoer:
“And in thy voice I catch the language of my former heart, and read / my former pleasures in the shooting lights / of thy wild eyes. Oh! yet a little while / may I behold in thee what I was once, My dear, dear Sister!”

De mooiste regels van het gedicht geven uiting aan zijn wens dat zij dit voor altijd mag blijven behouden: “Therefore let the moon shine on thee in thy solitary walk / and let the misty mountain-winds be free to blow against thee.”

De angst voor sterfelijkheid en verlies steken uiteindelijk ook de kop op:
“Nor, perchance – if I should be where I no more can hear / thy voice, nor catch from thy wild eyes these gleams / of past existence – wilt thou then forget / that on the banks of this delightful stream we stood together.“

Dorothy Wordsworth

Ik vind dit werkelijk heel aangrijpend: de broer die in de ogen van zijn zuster de glans ziet die hij zelf ook ooit kon zien, maar is kwijtgeraakt en dat nu gezien in het licht van zijn eigen toekomstige sterven (het gedicht werd overigens geschreven toen Wordsworth nog maar 28 was).
Zo wil hij herinnerd worden: “that I, so long a worshipper of Nature, hither came / unwearied in that service: rather say…
– oh! with far deeper zeal of holier love.”

Het is een woordgebruik dat wijst op een religieuze devotie – voor de Natuur, maar ook, impliciet, is het zijn ode aan de eigen creatieve geest die zo veel aan die natuur te danken heeft. Het gebed dat hij zou willen uitspreken, maar nergens expliciet maakt, zou kunnen luiden (de formulering is van Harold Bloom): “Do not forget, or the life in me, the creative joy, will die.”

Kijken, voelen en herinneren – teneinde te kunnen scheppen.
Het verhaal van de dichter in dit gedicht is dat van de esthetische contemplatie en de herinnering daaraan als persoonlijke redding, van de mens en van de dichter, die door dit proces voortdurend vernieuwd kunnen worden.

We zijn geneigd om Wordsworth bij uitstek te zien als de dichter van de Lake District. Daar groeide hij op, tussen die heuvels en meren vond zijn vroegste vorming als dichter plaats. Maar ten tijde van het verschijnen van de Lyrical Ballads was voor hem helemaal niet zo vanzelfsprekend dat hij zich daar weer zou vestigen; het is dat hij gedwongen werd, in verband met zijn revolutionaire ideeën en de radicale vrienden die hij en Coleridge erop na hielden, Alfoxton House te verlaten (zij werden door spionnen van de staat in de gaten gehouden). Zelfs toen was het nog geen uitgemaakte zaak dat hij en Dorothy voor de Lake District zouden kiezen. Maar uiteindelijk werd het toch Grasmere (en een huisje dat in de volksmond bekend is komen te staan als Dove Cottage), wat de rest van zijn leven zijn woonplaats is gebleven.

Dove Cottage

De jaren in Dove Cottage (1800-1805) waren Wordsworth’s meest creatieve jaren: hij schreef daar een groot aantal van zijn beste en bekendste gedichten, variërend van een geniaal complex werk als de Immortality Ode tot eenvoudige natuurgedichten zoals Daffodils, dat één van de bekendste en meest geliefde gedichten in de Engelse taal zou worden:
“I wandered lonely as a Cloud / that floats on high o’er Vales and Hills / when all at once I saw a crowd / a host of dancing Daffodils…”

(Wie het dagboek van Dorothy erop naslaat, vindt daar de beschrijving van een wandeling met William waarbij ze een veld met narcissen zagen – in bewoordingen die opmerkelijk veel aan het gedicht van haar broer doen denken. Dit is vaker het geval. Dorothy lijkt niet alleen Williams levenslange gezellin te zijn geweest en zijn beste vriendin – ze was ook belangrijk voor zijn poëtische ontwikkeling; op een andere manier dan Coleridge dat was, maar met minstens evenveel impact).

We kunnen zonder meer stellen dat Wordsworth in Grasmere, met zijn huishouden van vrouwen (behalve zijn zuster Dorothy en echtgenote Mary was ook zijn schoonzuster Sarah Hutchinson, op wie Coleridge verliefd was, vaak van de partij), een gesetteld dichter is geworden. Er is een groot verschil tussen de Wordsworth van 25 jaar oud, met zijn rebelse karakter en radicale opvattingen en de bedaagde huisvader van 10 jaar later, die in politiek opzicht een Tory en een nationalist is geworden.
Zoals ik al schreef was hij oorspronkelijk begeesterd door de idealen van de Franse Revolutie (hij was toen heel kritisch op zijn vaderland en had republikeinse ideeën), waar hij zich overigens al snel vanaf keerde toen die revolutie in excessen en bloedvergieten ontaardde. “Head after head and never heads enough”, schrijft hij over het guillotine-bewind van Robespierre; hij toont zich zichtbaar verheugd over het nieuws van diens dood en formuleert in The Prelude op afgewogen wijze zijn uiteindelijke visie op de loop der gebeurtenissen. Hij is van mening dat ‘false philosophy had caused the woe’ en spreekt van een ‘terrific reservoir of guilt… that could no longer hold its loathsome charge / but burst and spread in deluge through the land’.

Zijn vrijheidsdrang bleef hij behouden, en even had hij zijn hoop gesteld op de mogelijkheid van een nieuwe (democratische) Franse republiek – een hoop die ook alweer snel werd teleurgesteld toen Napoleon een tiran bleek te zijn. Coleridge geeft Napoleon in eerste instantie nog het voordeel van de twijfel (“He is a despot indeed, but not a tyrant’), maar moet daar al snel op terug komen.
Wordsworth en Coleridge zijn in de loop van de tijd overduidelijke gevoelens van persoonlijke animositeit jegens Napoleon gaan ontwikkelen.

Engeland raakte in oorlog met Frankrijk en Wordsworth gaf zich zelfs op als Volunteer, zodat hij ingezet kon worden voor de landsverdediging bij een napoleontische invasie, waar toen serieus voor werd gevreesd.

Zowel Dorothy als William waren uitgesproken conservatief geworden in hun opvattingen, aanhangers van de bestaande instituten, van de Engelse Staat en Constitutie, de Adel en de Anglicaanse kerk – tegen katholieke emancipatie en tegen parlementaire hervormingen. Echte democraten waren ze niet meer. Als in 1832 (de progressieve Whig partij heeft dan eindelijk een regering kunnen vormen) de Reform Bill door het parlement komt, voorziet William louter nog economische rampspoed, politieke chaos en sociale desintegratie.
(De dichter John Keats, die een groot bewonderaar was van Wordsworth’s poëzie, was zeer teleurgesteld in de man toen hij hem voor het eerst ontmoette. Hij had een beeld van hem als een radicale geest, maar de man die hij zag was een reactionair die op pontificale wijze zijn vastomlijnde, rigide ideeën over wat poëzie was en wat niet aan zijn jongere collega doceerde).

Hoewel Wordsworth in zijn gedichten blijk gaf van een ware empathie voor de outcasts van de samenleving (de Old Cumberland beggar, de Leech gatherer in Resolution and Independence: zie verderop), vreesde hij de massa (the mob) en was doodsbenauwd dat de revolutie van Frankrijk ook naar Engeland zou overslaan.
(Hij heeft die angst tot op hoge leeftijd behouden: al ver in de zeventig begon hij een campagne tegen de spoorlijn die zijn kant op zou komen, omdat hij bang was dat zijn geliefde Lake District dan overspoeld zou worden door de common people uit Lancashire).
Hij betreurde het verdwijnen van oude normen en waarden en vreesde dat de toenemende modernisering en industrialisering steeds minder ruimte overliet voor wat voor hem werkelijk essentieel was in het leven: ruimte voor contemplatie en diep nadenken. En m.b.t. de Industriële Revolutie had hij natuurlijk ook grotendeels gelijk: die had met zijn lange werktijden, de invoering van kinderarbeid, het gevaar voor de volksgezondheid door belabberde werkomstandigheden en de leegloop van het platteland naar de stad ook heel veel kwalijke gevolgen.

Ook zijn de meeste critici het er wel over eens dat hij na 1805 (hij was toen 35) geen werkelijk grote poëzie meer heeft geschreven. De Immortality Ode, één van de absolute hoogtepunten in zijn oeuvre, dateert van 1804 en zijn meesterwerk The Prelude voltooide hij, na vele jaren daaraan gewerkt te hebben, in 1805.
Zelf voelde hij ook dat wat hij zijn poetic vision noemde, die plotselinge flitsen van inspiratie die hem vaak tijdens zijn wandelingen invielen, minder en minder frequent werden. In de Immortality Ode vraagt hij zich af: “Whither is fled the visionary gleam? Where is it now, the glory and the dream?”

Het gedicht begint als volgt:
“There was a time when meadow, grove, and stream / the earth, and every common sight / to me did seem apparelled in celestial light / the glory and the freshness of a dream.
It is not now as it hath been of yore – turn wheresoe’er I may / By night or day,
the things which I have seen I now can see no more.“

En in het tweede couplet heet het: “But yet I know, where’er I go / that there hath passed away a glory from the earth.”
Over dit (schitterende) gedicht in een volgende aflevering meer…

In 1807 verschijnt de oogst van zijn kunstzinnige arbeid in Grasmere: een verzameling van 113 gedichten die simpelweg bekend geworden is onder de naam Poems in Two Volumes, het eerste werk van Wordsworth dat gepubliceerd werd sinds de tweede versie van Lyrical Ballads in 1800. De kritieken waren vernietigend, en dat is moeilijk te begrijpen en ook volkomen onterecht, want deze collectie bevat een aantal van Williams beste gedichten, werk dat sindsdien in menige anthology van Engelse poëzie is terechtgekomen: Daffodils (iedere Engelsman kent het) en To a Daisy, de Lucy poems (‘Strange fits of passion have I known’, ‘She dwelt among the untrodden ways’, ‘A slumber did my sprit seal’), het sonnet over Westminster Bridge, The Solitary Reaper (“Behold her, single in the field, yon solitary Highland Lass, reaping and singing by herself; stop here or gently pass”), geschreven tijdens een wandeltocht in Schotland en nog zo’n ander overbekend gedicht dat cultureel erfgoed geworden is voor een hele natie: ‘My heart beats up when I behold a rainbow in het sky’.


Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *