The Prelude van William Wordsworth, zijn ultieme meesterwerk, werd gecompleteerd in 1805, toen de dichter 35 jaar oud was. Het werd pas gepubliceerd na zijn dood in 1850; bijna een halve eeuw lang is Wordsworth eraan blijven schaven, zonder tot definitieve publicatie over te willen gaan. Het is een gigantisch, episch werk, verdeeld over 14 boeken.

The Prelude is overigens een titel die door Wordsworth’s weduwe Mary aan het werkgegeven werd; Wordsworth zelf noemde het ‘the poem to Coleridge’ – Samuel Taylor Coleridge, zijn grote vriend en inspiratie uit de begintijd (later zijn ze uit elkaar gegroeid, zoals te lezen valt in het vorige stuk dat ik schreef over Wordsworth).
In de slotregels van Book II richt Wordsworth zich, op een voor mij heel ontroerende wijze, rechtstreeks tot zijn vriend:
“Thou, my Friend! wert reared in the great city, ‘mid far other scenes / but we, by different roads, at length have gained the self-same bourne…
Thou art one, the most intense of Nature’s worshippers / in many things my brother, chiefly here / in this our deep devotion.
Fare thee well!”
De eerst acht boeken vormen een geheel, waarvan de titel van Book VIII een mooie samenvatting geeft: Retrospect – Love of Nature leading to Love of Man. Book IX, X en XI vormen de consequentie van die Liefde voor de Mensheid: Wordsworth’s Residence in France en zijn betrokkenheid daar bij de Franse Revolutie (waarvan hij overigens ook snel weer afstand nam, toen bleek dat de revolutie ontaardde in massaal bloedvergieten). Book XII en XIII gaan over de daaropvolgende crisis in Wordsworth’s Imagination, how impaired and restored. En Book XIV is de Conclusion. Hierin worden Wordsworth en Coleridge gepresenteerd als ‘Prophets of Nature’ en als leraren:
“Others will love, and we will teach them how / instruct them how the mind of man becomes / a thousand times more beautiful than the earth / on which he dwells…”
In de openingsregels van het gedicht klinkt het:
“The earth is all before me. With a heart / joyous, nor scared at its own liberty,
I look about; and should the chosen guide / be nothing better than a wandering cloud,
I cannot miss my way.”
Met de ‘wandering cloud’ verwijst hij naar de uittocht van Mozes en het volk Israel uit Egypte, die ‘s nachts een vuurkolom en overdag een met hen meebewegende wolk als richtingwijzer hadden.
De dichter heeft hier de grote stad (Londen) achter zich gelaten en trekt de vrije natuur in:
“A captive greets thee, coming from a house / of bondage… a prison where he hath been long immured, now I am free…”
De Natuur die voor hem uitgespreid ligt is genereus: de Natuur is voor Wordsworth op de eerste plaats wat aan de zintuigen direct gegeven is. De dichter sluit er a.h.w. een verbond mee, wat een verbond is tussen de fenomenale wereld van de verschijnselen en het menselijk hart. De inspiratie, creativiteit en verbeeldingskracht die daar werken vinden hun bron rechtstreeks in de Natuur, zoals ook al het geval was in eerder beschreven gedichten als Tintern Abbey en de Immortality Ode. Wanneer het menselijk hart de wereld van de Natuur, van de verschijnselen, lief heeft en vertrouwt, dan zal die Natuur dat vertrouwen nooit beschamen.
Wanneer Wordsworth (we kunnen de ik-figuur van het gedicht zeker met hem vereenzelvigen) de wind op zijn gezicht voelt (‘this gentle breeze that blows from the green fields and from the clouds and from the sky’), voelt hij een soortgelijke wind binnenin (‘a corresponding mild creative breeze’), die al snel wordt tot ‘A tempest, a redundant [in de betekenis van: overvloedig] energy’. Die innerlijke storm brengt: ‘the hope of active days, of dignity and thought… pure passions, virtue, knowledge and delight / the holy life of music and of verse’.
Deze beginfase van het gedicht heeft de crisis, de angst en onzekerheid, al achter zich gelaten. “As by miraculous gift ‘tis shaken off… the heavy weight of many a weary day…”
Er is geen wanhoop, geen gevoel van verlies; slechts een kalme zekerheid (‘a cheerful confidence in things to come’) die is gebaseerd op het geloof dat de inspiratie blijvend zal zijn: “Be it so; why think of any thing but present good?”

En die inspiratie, dat is volkomen duidelijk bij Wordsworth, vindt haar oorsprong in de Natuur, zij is zijn lerares, de bron van zijn verbeeldingskracht – en meestal pas (omdat de rechtstreekse natuurimpressies gewoon te krachtig zijn en zich niet laten kanaliseren in poëtische weergave) wanneer zij door de filter van de herinnering is gegaan: de poëzie van The Prelude is vrijwel geheel opgebouwd uit herinneringen en de reflecties daarop. Hierin dient zich een groot verschil aan met Wordsworth’s oudere tijdgenoot William Blake (afbeelding boven): voor Blake was zowel de zintuiglijke wereld als de herinnering alleen maar een obstakel om tot ware, creatieve verbeelding te komen. Blake hield zich het liefst zo veel mogelijk en zo lang mogelijk, eigenlijk permanent, op in de geesteswereld der Verbeelding, The Imagination, die voor hem de complete mens was.
Bij Wordsworth is veel meer sprake van een vruchtbare wisselwerking tussen de Natuur en de geest van de dichter: hij wil helemaal niet los komen van die Natuur, maar hij moet wel een manier vinden om zijn eigen verbeeldingskracht een zekere autonomie te geven, om niet geplet te worden door de kracht van de Natuur, die in zijn impressies, de afdruk die zij maakt op de menselijke geest, zo overweldigend is.
Wat The Prelude ook is, is een verslag van de dichter Wordsworth van zijn zoektocht naar iets dat waardig is het onderwerp te vormen van het groots opgezette epische gedicht dat hij wil schrijven; dat uiteindelijke onderwerp wordt gekarakteriseerd in de ondertitel die het werk gekregen heeft: The Growth of a Poet’s Mind. Waaraan je toe zou kunnen voegen: gevoed door het Universum rondom.
De Natuur zoals die vanaf zijn vroegste jeugd deel uitmaakt van zijn leefwereld, wordt geregeld voorgesteld als een rivier die door het landschap van zijn verbeelding stroomt; meer concreet was dit de rivier Derwent in het Lake District (later heeft Wordsworth nog een reeks sonnetten aan die rivier gewijd), die als de vormgever gezien wordt van een vroege poëtische sensibiliteit:
“Was it for this that one, the fairest of all rivers, loved / to blend his murmurs with my nurse’s song / … sent a voice that flowed along my dreams? For this, didst thou / O Derwent! winding among grassy holms / where I was looking on, a babe in arms,
make ceaseless music that composed my thoughts…”
De rivier die ooit, in zijn jeugd, door zijn dromen vloeide, brengt nu een reeks herinneringen op gang die de volwassen dichter dragen in de compositie van zijn gedicht. Wordsworth heeft het over ‘the river of my mind’, die staat voor de totale zintuiglijke vrijgevigheid van de externe fenomenen; die rijke schat die de geest van de dichter blijvend vormt.

Book I & II van The Prelude gaan over het kind dat Wordsworth was en de avonturen die hij beleefde temidden van de ongerepte natuur. “I grew up fostered by beauty”, schrijft hij, “much favored in my birth-place”.
Wanneer hij een keer kattenkwaad heeft uitgehaald (“the bird which was the captive of another’s toil became my prey” – ik neem aan dat hij hier bedoelt dat hij een gevangen vogel uit de val van een stroper gehaald heeft) wordt zijn gevoel iets verkeerd gedaan te hebben weerspiegeld door de gehele natuur om hem heen, alsof hij achtervolgd wordt door een natuurgeest die zich wil wreken:
“… when the deed was done / I heard among the solitary hills / low breathings coming after me, and sounds / of undistinguishable motion, steps / almost as silent as the turf they trod.”
De natuur om hem heen transformeert zich hier op een wijze die voor de jongen totaal reëel (en bedreigend) is. Hetzelfde gebeurt wanneer hij naar het nest van een raaf geklommen is en daar tussen hemel en aarde hangt:
“Oh! when I have hung above the raven’s nest … oh, at that time while on the perilous ridge I hung alone / with what strange utterance did the loud dry wind / blow through my ear! the sky seemed not a sky / of earth – and with what motion moved the clouds!”
De wind maakt vreemde geluiden die hij niet thuis kan brengen en de hemel is niet dezelfde hemel die hij vanaf de grond ziet. In deze beide fragmenten lijkt de jongen deel uit te maken van een werkelijkheid die van een geheel andere orde is dan wat hij dagelijks ervaart. Dit gegeven vindt haar climax in een andere beroemde passage over een gestolen boot waarmee de jongen ’s nachts gaat varen, ‘an act of stealth and troubled pleasure’. Prachtig beschrijft Wordsworth hoe de maan op het water schijnt (‘small circles glittering idly in the moon, until they melted all into one track of sparkling light’). Plotseling doemt een steile hoogte op, die tot dan toe achter de horizon verborgen lag: “… from behind that craggy steep till then / the horizon’s bound, a huge peak, black and huge … upreared its head”.
De jongen voelt de dreiging van dit enorme gevaarte, keert de boot en vlucht terug, waarbij hij het gevoel heeft dat de kolossale rotswand hem achtervolgt (‘the grim shape … with purpose of its own / and measured motion like a living thing strode after me’).
Nog dagen lang wordt de jongen achtervolgd door spookbeelden van vervormde, onnatuurlijke verschijnselen:
“No familiar shapes remained, no pleasant images of trees / of sea or sky, no colours of green fields / but huge and mighty forms, that do not live / like living men, moved slowly through the mind / by day, and were a trouble to my dreams.”
Dit zou je een primitief soort van heidendom kunnen noemen dat als gevolg heeft dat, tijdelijk in elk geval, de wereld van de Natuur, die tot nu toe als een schatkamer gegeven was aan de jongen, zich terugtrekt; niet alleen een bron van schoonheid is, maar ook angst en dreiging blijkt te kunnen herbergen.
Maar op een ander moment lijkt de natuurlijke wereld nog weer intensiever beleefd te worden, maar dan op een positieve manier, die leidt tot ontzag en heftige bewondering, zoals in het fragment van het schaatsen (“All shod with steel, we hissed along the polished ice”). Hij beschrijft dan wat er gebeurt ‘when we had given our bodies to the wind’. Het is alsof de gehele aarde rondom hem draait:
“… all the shadowy banks on either side / came sweeping through the darkness, spinning still / the rapid line of motion, then at once / have I, reclining back upon my heels,
stopped short; yet still the solitary cliffs / wheeled by me – even as if the earth had rolled / with visible motion her diurnal [dagelijkse] round!
Behind me did they stretch in solemn train / feebler and feebler, and I stood and watched / till all was tranquil as a dreamless sleep.”
Hij beschrijft hier dat hij zozeer opgaat in de Natuur, dat hij zich nauwelijks meer bewust is van wat er om hem heen is. Om diezelfde Natuur in de volgende strofe aan te roepen alsof het een godheid is, een Geest waarvan hij zelf voor even deel uitmaakte:
“Presences of Nature in the sky / and on the earth! Ye Visions of the hills!
And Souls of lonely places!”
Aan het eind van Book I vat Wordsworth het samen: “The road lies plain before me”; hij heeft zijn thema nu gevonden -”’tis a theme single and of determined bounds”.
Namelijk: The Growth of a Poet’s Mind, in innige communicatie met de Natuur.
Book II brengt dit thema meteen op een hoger plan:
“I would stand, if the night blackened with a coming storm / beneath some rock, listening to notes that are / the ghostly language of the ancient earth / or make their dim abode in distant winds. Thence did I drink the visionary power.”
Hier is voor het eerst sprake van de ‘visionary power’ die de dichter ontwikkelt te midden van de Natuur. En waar hij zijn permanente voordeel mee kan doen omdat:
“the soul, remembering how she felt … retains an obscure sense of possible sublimity, whereto / with growing faculties she doth aspire / with faculties still growing, feeling still / that whatsoever point they gain, they yet have something to pursue.”
Harold Bloom noemt dit in zijn boek over English Romantic Poetry, The Visionary Company, de meest centrale passage in The Prelude; zelfs een karakterisering van de gehele poëzie van William Wordsworth. Het is dat vage, obscure gevoel van het mogelijk sublieme, een voorgevoel van het allerhoogste, dat een voortdurende stimulans is voor de zich ontwikkelende ziel om, hoe hoog of ver ze ook komt, steeds verder te groeien. Het is een vreugde, een licht wat zich aandient, voor de jonge kinderziel nog onzichtbaar, iets wat ver in het verschiet ligt en later als een richtingwijzer gaat dienen voor de volwassen dichter.
Book IV bevat een ontmoeting met een rondzwervende soldaat, met wie hij meeloopt om hem onderdak te bezorgen; ook weer een voorbeeld van Wordsworth’s empathie met daklozen en bedelaars, zoals eerder al ter sprake kwam in zijn gedichten over de Cumberland beggar en de Leech gatherer.
In Book V staat een droompassage die tot de indrukwekkendste gedeeltes van the Prelude behoort; Wordsworth zelf heeft net zijn zorg uitgesproken omtrent de vergankelijkheid van alles. De mens is tot zoveel in staat: “The consecrated works of Bard and Sage, sensuous or intellectual, wrought by men, twin labourers and heirs of the same hopes” – in deze passage ligt vooral ook de nadruk op het naast elkaar bestaan van het intellectuele en het poëtische, wiskunde en wetenschap zowel als kunst en literatuur. De mens heeft zo veel gepresteerd op dat gebied, maar is tevens o zo kwetsbaar, dat alles kan in één klap worden weggevaagd: “Why, gifted with such powers to send abroad her spirit, must it lodge in shrines so frail?”
Hij raakt hierover in gesprek met een vriend die hem als antwoord een droom vertelt die hij had. Hij vertelt hoe hij ergens aan zee zat en las in Cervantes’ Don Quichot, toen het boek terzijde legde en begon te mijmeren:
”On poetry and geometric truth / and their high privilege of lasting life / from all internal injury exempt, I mused”.
Vervolgens valt hij in slaap en heeft hij een droom. Rondom hem ‘a boundless plain of sandy wilderness, all black and void’, hij wordt gegrepen door ‘distress and fear’.
Dan verschijnt er een Bedoeïen op een dromedaris die een lans draagt, een steen en een schelp van ongekende schittering. De Arabier legt hem uit dat de steen ‘Euclid’s Elements’ (de Griekse basis van de wiskunde zoals wij die kennen) is, maar de schelp ‘something of more worth’, namelijk poëzie. De man zet de schelp aan zijn oor en hoort dan: ‘A loud prophetic blast of harmony / an Ode, in passion uttered, which foretold / destruction to the children of the earth by deluge, now at hand.’

De missie van de Arabier is deze twee objecten, de steen en de schelp, die hij de twee boeken noemt, te begraven en te beschermen tegen de zondvloed die onderweg is. De Arabier snelt weg en de man volgt hem, stomverbaasd dat hij dan weer wel, en dan weer niet met Don Quichot lijkt samen te vallen: “yet not the knight, but was an Arab of the desert too / of these was neither, and was both at once”. Het laatste droombeeld dat de man heeft van de Arabier is dat hij vlucht voor de wateren die hem op de hielen zitten; dan wordt hij met een schok wakker en ziet de zee voor zich en het boek naast hem.
Het is een prachtig vertelde, suggestieve droom die uiteraard open is voor allerlei interpretaties. Het is wel duidelijk dat de man die het verhaal vertelt, en met hem ook Wordsworth zelf, wiens spreekbuis hij is, zich vereenzelvigt met de Bedoeïen. De missie van de Bedoeïen en van Wordsworth zijn één en dezelfde: namelijk de verbeeldingskracht, de Imagination, te redden van een te diepe verbintenis met de Natuur, die Wordsworth zo graag in eenzaamheid in al haar wildheid en verlatenheid beleven wil, maar die zo krachtig kan zijn dat zij het poëtisch innerlijk geheel dreigt te overwoekeren. De Imagination moet beschermd worden tegen het oprukken van de woestijn en de wateren. De Arabier is een Quichot, wat gelijk staat met een hopeloze missie: hij tracht te redden wat nog te redden valt (door de twee boeken te begraven) maar zal zelf door de wateren worden meegesleurd.
Wordsworth zelf hoopt daarin gelukkiger te zijn. Zijn grote angst was dat zijn extreme sensibiliteit, gevormd in verbintenis met de Natuur, een te sterke macht had gekregen over zijn redelijke vermogens. Vandaar ook dat het gedicht benadrukt dat weliswaar de schelp (poëzie, kunst) meer waard is dan de steen (geometrie, natuurwetenschap), maar toch ook de geometrische waarheid waarde heeft naast de instinctieve, innerlijke waarheid die Wordsworth van jongs af aan heeft gekoesterd.
Water is bij Wordsworth vaak een helende kracht, geen destructieve. Zoals in de prachtige passage in de Immortality Ode die ik al eerder aanhaalde, van de kinderen die spelen aan de waterkant:
“Hence in a season of calm weather though inland far we be / our Souls have sight of that immortal sea which brought us hither / can in a moment travel thither,
And see the Children sport upon the shore
And hear the mighty waters rolling evermore.”

Geef een reactie