Book VI van the Prelude beschrijft een wandeltocht over de Alpen die Wordsworth gemaakt heeft. Zijn motief om deze tocht te ondernemen, kan te maken hebben met het voorafgaande, de relatie tussen Natuur en individuele verbeeldingskracht waarover ik schreef en de noodzaak daarbij een evenwicht te vinden en niet overweldigd te worden door de krachten der Natuur: de tocht zou een poging kunnen zijn om zijn zich ontwikkelende verbeeldingskracht veilig te stellen ten opzichte van die Natuur, juist door het grootste natuurlijke obstakel te overwinnen dat hij vinden kon: de Alpen.

Wordsworth trekt een expliciete parallel tussen de Alpenexpeditie en de Franse Revolutie, die net een jaar geleden begonnen was en (toen nog) een baken van hoop was voor velen:
“But Nature then was sovereign in my mind / and mighty forms, seizing a youthful fancy,
had given a charter to irregular hopes.
In any age of uneventful calm / among the nations, surely would my heart / have been possessed by similar desire / but Europe at that time was thrilled with joy / France standing on the top of golden hours / and human nature seeming born again.”

Wordsworth’s gevoelens en gewaarwordingen zijn nog niet geheel helder, hij koestert ‘irregular hopes’, en hij lijkt zich niet erg bewust van de persoonlijke revolutie waarnaar hij op zoek is m.b.t. tot zijn eigen, individuele verbeeldingskracht. (Waar hij zich al wel van bewust is, is dat de Natuur, ‘sovereign in my mind’ daarin een centrale rol speelt). Er is een onderstroom van droefenis in zijn geest, die hij illustreert door zijn overtrekken van de Alpen te beschrijven. Hij mist een pad en de bijbehorende majestueuze uitzichten die hij zich had voorgesteld, (‘hopes that pointed to the clouds’); een plaatselijke boer wijst erop dat hij de Alpen al over is zonder dat hij het in de gaten had: “every word that from the peasant’s lips / came in reply, ended in this – that we had crossed the Alps”, besluit Wordsworth nuchter.

Dit moment van gefrustreerde aspiraties leidt echter tot een plotselinge transfiguratie:
“Imagination – here the Power so called / through sad incompetence of human speech /
that awful Power rose from the mind’s abyss / like an unfathered vapour that enwraps / at once, some lonely traveller.”

De verbeeldingskracht maakt zichzelf vrij, ze ‘rose from the mind’s abyss’. De kloof die was ontstaan tussen verwachting en volbrenging en tot een grote teleurstelling had geleid, wordt nu, achteraf, in de herinnering, beleefd als de glorie van een triomferende ziel:
“I was lost; halted without an effort to break through / but to my conscious soul I now can say – “I recognise thy glory”: in such strength / of usurpation, when the light of sense / goes out, but with a flash that has revealed / the invisible world, doth greatness make abode … whether we be young or old / our destiny, our being’s heart and home / is with infinitude, and only there / with hope it is, hope that can never die / effort, and expectation, and desire / And something evermore about to be.”

Dit is een passage die grenst aan het mystieke. The light of sense goes out en the invisible world wordt plotseling voelbaar. Het gaat in deze regels uiteindelijk om transcendentie en het streven daarnaar van de Verbeelding, de Imagination. William Blake bedoelt iets soortgelijks wanneer hij roept: “More! More! is the cry of the Soul. Less than All cannot satisfy Man.” We moeten streven naar het allerhoogste. Wordsworth ziet de Verbeelding, de Imagination, net als Blake dat deed, als rakend aan de oneindigheid, aan het onzichtbare – dat is waar het ‘something evermore about to be’ uit bovenstaande regels naar verwijst, evenals de ‘obscure sense of sublimity’, de regels uit Book II die ik eerder aanhaalde.

De ziel vraagt om niets meer dan dat, ‘the soul seeks for no trophies, struggles for no spoils / that may attest her prowess, blest in thoughts / that are their own perfection and reward’. Dit streven naar iets moois, een verlangen naar iets dat nooit helemaal onder woorden te brengen valt en de gedachten en gevoelens die daarmee samenhangen, dat alles is meer dan voldoende beloning…

Wat hier geschreven staat is een eerbetoon aan de autonomie van de scheppende ziel.
Wat echter wel goed is om in het oog te houden, is dat het uitgangspunt van Wordsworth nooit geheel en al mystiek-religieus is, maar altijd in laatste instantie teruggaat op de beleving van de Natuur door de zintuigen. Dat is wat die enorme, glorieuze beweging van de Ziel, van de Verbeeldingskracht, op gang brengt.
Iets later in het gedicht beschrijft hij, hoe hij door een nauwe kloof in de bergen trekt en de Natuur hem daar a.h.w. de eenheid openbaart tussen de uiterlijke verschijnselen en de vormen der eeuwigheid. Het is een prachtige passage, die ik graag uitgebreid citeer:
“The immeasurable height of woods decaying, never to be decayed,
The stationary blasts of waterfalls / and in the narrow rent at every turn / winds thwarting winds, bewildered and forlorn / the torrents shooting from the clear blue sky / the rocks that muttered close upon our ears / black drizzling crags that spake by the way-side / as if a voice were in them, the sick sight / and giddy prospect of the raving stream / the unfettered clouds and region of the Heavens / tumult and peace, the darkness and the light –
were all like workings of one mind, the features / of the same face, blossoms upon one tree / the types and symbols of Eternity / of first, and last, and midst, and without end.”

Je zou dit kunnen zien als een samenvatting van wat de dichter heeft te zeggen over de relatie tussen de fenomenen en de onzichtbare wereld; het eerste vormt altijd de voorwaarde voor het kunnen ervaren van het laatste: een wereld die nooit ver weg en onbereikbaar is, maar altijd om ons heen en ervaarbaar voor wie zijn verbeeldingskracht ontwikkelt. Onder (de watervallen, de winden, rotsen en waterstromen) en boven (‘the unfettered clouds and region of the Heavens’) vormen in de geest een eenheid; het menselijke, de beleving binnenin, en het natuurlijke, dat wat zich rondom de mens bevindt, zijn tekens van een eeuwigheid zoals die in de geest beleefd wordt door de dichter. De innerlijke kracht die de mensen voortstuwt is dezelfde kracht die werkt in de Natuur. Voor deze kracht weet de dichter nauwelijks een naam te vinden; het is wat in het Tintern Abbey gedicht ‘a sense sublime of something far more deeply interfused’ genoemd wordt.

Na de toppen van het natuurbeleven van Book VI, daalt Book VII af in de afgrond die de grote stad voor Wordsworth is: Residence in London. Als dichter, een dichter van de Natuur tenslotte, kon hij niets met de dicht opeengepakte mensenmassa’s in de straten van Londen. Wanneer hij door die straten loopt verzucht hij dat het gezicht van ieder individu dat hij passeert voor hem een mysterie is; achter die talloze gestalten zitten talloze geschiedenissen die hij nooit zal kennen en ook zijn verbeelding niet in gang zetten. Totdat één gestalte er voor hem uitspringt die dat wel doet, de eenzame figuur van een bedelaar, weer één van de vele verschoppelingen in de poëzie van Wordsworth:
“a blind Beggar, who, with upright face / stood, propped against a wall, upon his chest /
wearing a written paper, to explain / his story, whence he came, and who he was.
Caught by the spectacle my mind turned round … on the shape of that unmoving man /
his steadfast face and sightless eyes, I gazed / As if admonished from another world.”

Hier openbaart zich wel degelijk het mysterie van één individueel wezen. Hij zit daar, ‘that unmoving man’, ‘with upright face’, de rug recht ondanks alle slagen die het lot hem heeft toegediend. Hij doet denken aan de Leech Gatherer, ook zo’n door alle ellende ineengeschrompelde gestalte die desondanks zijn menselijke waardigheid behield temidden van alle troosteloosheid.

In Book VIII legt de dichter vervolgens uit hoe liefde voor de Natuur bij hem geleid heeft tot liefde voor de Mensheid. De figuur die de link vormt tussen de twee zijn de herders die Wordsworth tijdens zijn jeugd in het Lake District heeft leren kennen en die een eenvoudig maar mooi leven leiden, ‘severe and unadorned’, ‘intent on little but substantial needs, yet beautiful’. In hem ziet Wordsworth de deugden van de Natuurlijke Mens, de herdersfiguur krijgt voor hem welhaast mythische proporties: “I felt his presence in his own domain / as of a lord and master, or a power / or genius, under Nature, under God, presiding”.

Hij heeft een sterke band met de aarde in de streek waar hij opgroeit, zoals ook de figuur Michael in het gelijknamige gedicht dat ik eerder besprak.

Liefde voor de Mensheid brengt Wordsworth daar wat ook de Franse volgelingen van hun profeet Jean Jacques Rousseau (zie afbeelding) als hun bestemming zagen: bij de Revolutie die uitgeroepen was in naam van die Natuurlijke Mens. Een Franse officier en aanhanger van de Revolutie die hij ontmoet bij zijn tweede bezoek aan Frankrijk, Michel Beaupuy, zegt tegen hem bij de aanblik van een door de honger verzwakt meisje: “’Tis against this that we are fighting!” En Wordsworth zegt over hem: “Man he loved as man.”

Book X en XI beschrijven een geestelijke crisis, een ideologische crisis zou je het ook kunnen noemen, die een reactie is op de teloorgang van de idealen van de Revolutie in Frankrijk. Eerst staat hij daar nog vierkant achter, maar hij komt in een moeilijk parket wanneer zijn vaderland Frankrijk de oorlog verklaart en hij bij zichzelf bemerkt dat hij heimelijk blij is wanneer de Engelse legers een nederlaag lijden op het slagveld, ‘when Englishmen by thousands were overthrown’. Een duister gevoel welt op in zijn innerlijk:
“… a sense, death-like, of treacherous desertion, felt / in the last place of refuge – my own soul.”

Een nog groter schok voor hem vormen de latere ontwikkelingen in Frankrijk, wanneer de helden van de Revolutie zelf een bloedige terreur gaan uitoefenen over de bevolking. Uiteindelijk is hij blij wanneer hij hoort van de dood van Robespierre, ‘that this foul tribe of Moloch was overthrown, and their chief Regent [Robespierre] levelled with the dust’.

Nu zijn geloof in de Revolutie verraden is, tracht hij dat geloof te vervangen door abstracte speculatie, niet bepaald zijn terrein en totaal vreemd aan zijn gebruikelijke wijze van denken en voelen. Hij wordt er dan ook doodongelukkig van:
“I lost all feeling of conviction, and, in fine / sick, wearied out with contrarieties / yielded up moral questions in despair.”

Liefde voor de Natuur had geleid tot liefde voor de Mens; liefde voor de Mens tot hoop op verbetering van zijn lot wereldwijd en de vernietiging van die hoop tot een afgrond van wanhoop.

Daar vooral gaan de boeken XII en XIII over: de laatste stadia van de depressie van de dichter, het gevangen zitten van zijn Verbeelding. Hij schrijft dat hij ‘zealously laboured to cut off my heart / from all the sources of her former strength’.
Waar hij in het Tintern Abbey gedicht nog geschreven had dat het mogelijk is om door esthetische contemplatie ‘to see into the life of things’, daar voelt de dichter zich in zijn crisis gedwongen zich over te geven aan de tirannie van het fysieke oog:

“I speak in recollection of a time / when the bodily eye, in every stage of life / the most despotic of our senses, gained / such strength in me as often held my mind / in absolute dominion.”

Wat het fysieke oog waarneemt is de visuele oppervlakte van de dingen, m.a.w.: dat wat veranderlijk en eindig is. Waar Wordsworth echter wanhopig naar op zoek is, is een realiteit ‘binnenin’ de Natuur die blijvend is. Het oog dat zich weet aan te passen, zich passief maakt t.a.v. de rijke vrijgevigheid van de Natuur, is in staat de trekken van die ultieme realiteit te ontwaren, ‘to half create it, zoals Wordsworth in Tintern Abbey zegt. Dat vermogen is hij tijdelijk kwijt, hij blijft al te zeer gebonden aan de oppervlakkige uiterlijkheid.

Samuel Taylor Coleridge

Uit dit dieptepunt is hij gered door twee mensen. De eerste was Coleridge die hij in 1795 voor het eerst ontmoette: “And then it was that thou, most precious friend! About this time / first known to me, didst lend a living help / to regulate my soul”, luidt zijn buitengewone uitbarsting van liefde en vriendschap.

De tweede was zijn zuster Dorothy: “She, in the midst of all, preserved me still / a Poet, made me seek beneath that name / my office upon earth, and nowhere else”

Dorothy Wordsworth

Je zou kunnen zeggen dat deze twee mensen hem gered hebben van de inperking van zijn verbeeldingskracht, zoals hij die op dat moment ervoer. Maar er speelde nóg een factor mee: de creatieve doctrine van de ‘spots of time’, zoals Wordsworth het noemt:

“There are in our existence spots of time / that with distinct pre-eminence retain /
a renovating virtue, whence … our minds are nourished and invisibly repaired.”

Wordsworth geeft twee voorbeelden, die beide uit zijn kindertijd stammen.
In het eerste voorbeeld leert hij, onder begeleiding, paardrijden in de heuvels. Per ongeluk raakt hij gescheiden van zijn begeleider en, angstig geworden, stijgt hij af en leidt zijn paard door de velden. Hij komt aan bij een plek waar ooit een moordenaar is opgehangen. Er is weinig meer dat herinnert aan die gebeurtenis, alleen staat de naam van de man in de aarde gekerfd; omwonenden halen er steeds het gras weg zodat de naam zichtbaar blijft. De jongen ziet de letters, schrikt en vlucht weg.
“Then, reascending the bare common, I saw / a naked pool that lay beneath the hills /
the beacon on the summit, and, more near / a girl, who bore a pitcher on her head /
and seemed with difficult steps to force her way / against the blowing wind.
It was, in truth, an ordinary sight; but I should need / colours and words that are unknown to man / to paint the visionary dreariness / which, while I looked all round for my lost guide / invested moorland waste, and naked pool / the beacon crowning the lone eminence / the female and her garments vexed and tossed by the strong wind.”

De visionary dreariness die de jongen ervaart is een nogal complexe sensatie; alles wat hij waarneemt, de kale vlakte en de naked pool, het eenzame baken op de heuveltop, het meisje en haar kleren die opwaaien in de wind: dat alles is even somber en troosteloos, maar de naakte kaalheid van dit alles bij elkaar zal zich later verenigen tot één groot visioen. Op het moment zelf vindt de jongen geen troost in het tafereel dat hij daar beschouwt, maar later, wanneer hij op dezelfde plek terugkeert, is het alsof er een stralende gloed overheen valt die het resultaat lijkt te zijn van de kracht die deze beelden in zijn herinnering hebben achtergelaten:
“Upon the naked pool and dreary crags / and on the melancholy beacon, fell / a spirit of pleasure and youth’s golden gleam / and think ye not with radiance more sublime / for these remembrances, and for the power / they had left behind?
So feeling comes in aid / of feeling, and diversity of strength / attends us, if but once we have been strong.
Oh! mystery of man, from what a depth / proceed thy honours.
I am lost, but see in simple childhood something of the base / on which thy greatness stands.”

De kracht der Verbeelding, de Imagination, werkend door de herinnering, wendt de visionaire kracht aan die kennelijk in dit, in eerste instantie nogal troosteloze, beleven verborgen zat en zuivert het daardoor van alle zwaarte, somberheid en angst die er oorspronkelijk aan verbonden was. De kracht die dan wordt opgeroepen is een teken van onverwoestbaarheid, van een innerlijk dat zowel de aanvankelijke zwaarte van het beleven als het verstrijken van de tijd weet te trotseren.

Het tweede voorbeeld dat Wordsworth geeft van zo’n spot of time is haast nog complexer. Na de dood van zijn moeder wonen de jonge William en enkele van zijn broers bij hun grootouders in het oosten van Cumberland. Voor de kerstdagen gaan ze terug naar hun vader en William staat op een heuveltop de weg af te turen, wachtend op het rijtuig dat hen mee zal nemen:
“’twas a day tempestuous, dark, and wild, and on the grass / I sate half-sheltered by a naked wall / upon my right hand couched a single sheep / upon my left a blasted hawthorn stood … the mist gave intermitting prospect of the copse and plain beneath.”

Amper tien dagen na hun terugkeer overlijdt de vader en moet hij terugdenken aan die plek waar hij vol verwachting en hoop op de uitkijk stond, niet wetend wat hem bij terugkeer te wachten stond:
“… afterwards, the wind and sleety rain / and all the business of the elements / the single sheep, and the one blasted tree / and the bleak music from that old stone wall /
the noise of wood and water, and the mist / that on the line of each of those two roads
advanced in such indisputable shapes / all these were kindred spectacles and sounds
to which I oft repaired, and thence would drink / as at a fountain.”

Ook hier weer, net als bij de vorige scène, de kale naaktheid van het hele gebeuren. En wat Wordsworth bij deze fontein te drinken krijgt, is ook nu weer het besef van eeuwigheid, van een leven in de Natuur en van de Mens dat onverwoestbaar is, die visionaire kracht die er altijd zijn zal, wat er ook aan rampzaligheden gebeurt.

De finale openbaring en de ultieme conclusie van het gedicht komt in Book XIV, in de beschrijving van een avondlijke beklimming van Mount Snowdon in Wales. De dichter beschrijft hoe hij op de berghelling aan alle kanten omgeven wordt door mist, terwijl boven hem de maan opkomt. De mist vormt een oplichtende zee van dampen die zich uitstrekt zo ver als het oog reikt. Dan, recht voor hem uit, trekken de mistflarden voor even open en door die opening ziet en hoort hij hoe “mounted the roar of waters, torrents, streams / innumerable, roaring with one voice!
Heard over earth and sea, and, in that hour / for so it seemed, felt by the starry heavens.”

Mount Snowdon

Deze waarneming van een natuurlijk fenomeen van buitengewone schoonheid wordt voor de dichter een visioen dat een vermoeden, een hint impliceert van datgene wat voorbij alle tijdelijkheid is:
“… it appeared to me the type / of a majestic intellect …
There I beheld the emblem of a mind / that feeds upon infinity, that broods / over the dark abyss, intent to hear / its voices issuing forth to silent light / in one continuous stream; a mind sustained / by recognitions of transcendent power.”

Wordsworth is hier aangekomen bij wat T.S. Eliot ‘the still point of the turning world’ noemt. Wat hij ons hier geeft is een visioen van God, zijn God, vergelijkbaar met de indrukwekkende beelden waarmee Dante zijn Paradiso afsluit. Het verschil is alleen dat in het visioen bij Wordsworth de gevoelde transcendentie een naturalistische basis blijft houden; het is alleen niet de uiterlijke Natuur die hier wordt gemanifesteerd, maar de Kracht die haar voortbeweegt.
Het is de intensificatie van het proces van visuele waarneming dat het hart vormt van de poëzie van William Wordsworth.


Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *