
Een boek dat mij als bij bliksemslag trof toen ik het in een boekwinkel in Londen op de plank zag staan, was The western Canon van Harold Bloom. Hierin bespreekt hij de auteurs die voor hem gezamenlijk de canon vormen van de Westerse literatuur, van Dante tot en met Samuel Beckett. Shakespeare vormt het centrum van die canon en vrijwel alle behandelde schrijvers gaan op hem terug, al was het alleen al omdat ze zich tegen hem af wilden zetten (Tolstoj) of de (literaire) strijd met hem aangingen (Milton). Bloom had net zo goed daarnaast nog een klassieke canon kunnen formuleren met de grote Griekse en Romeinse schrijvers (Homerus en Sophocles, Vergilius en Ovidius), maar hij beperkt zich tot het post-klassieke tijdperk, dat hij laat beginnen met de Middeleeuwer Dante.
Uiteraard heb ik het boek onmiddellijk aangeschaft en Bloom is mij sinds die tijd blijven begeleiden als de grote leermeester op het gebied van literatuur. Bloom had zich voordat dit boek uitkwam vooral laten gelden als een pleitbezorger van de Engelse romantische poëzie van William Blake t/m W.B. Yeats en Wallace Stevens (de laatste twee zijn strikt genomen uiteraard geen Romantics, maar Bloom zet ze, net als bijvoorbeeld Walt Whitman en Hart Crane, wel in die lijn). Die was sinds de poëzie, maar ook de essayistiek van T.S. Eliot leidend werden voor de Engelstalige literatuur van de 20e eeuw, wat uit de mode geraakt, maar Bloom zette haar weer op de kaart.
De Engelse romantische dichter die hij een plaats gunt in zijn canon is niet Shelley of Keats (die ik persoonlijk prefereer), maar William Wordsworth.

Zijn stuk over Wordsworth begint als volgt:
“There are musicologists who assert that the three great innovators in our musical history are Monteverdi, Bach and Stravinsky [ik ben geneigd het met die stelling eens te zijn]. Western, canonical lyric poetry seems to me to have only two such figures: Petrarch [Petrarca, zeggen wij], who invented Renaissance poetry, and Wordsworth, who can be said to have invented modern poetry.”
Wordsworth begon helemaal opnieuw, op een tabula rasa van poëzie (die constatering is van een tijdgenoot, de criticus William Hazlitt) en vulde het lege vlak met zichzelf. Wordsworth was de eerste dichter die helemaal vanuit zijn Ik schreef. Zijn eigen herinneringen en emoties tot onderwerp maakte. (Dat we nu geneigd zijn dat in de poëzie vanzelfsprekend te vinden, geeft aan hoezeer Wordsworth school heeft gemaakt).
In The western Canon kiest Bloom drie vroegere gedichten van Wordsworth uit: The old Cumberland beggar uit 1797 (Wordsworth was toen 27), The Ruined Cottage van een jaar later en Michael uit 1800.
Ik wil deze drie gedichten hier nu eerst bepreken, om daarna wat te zeggen over het leven van Wordsworth (op basis van de biografie van Hunter Davies) en daarbij ook in te gaan op drie van zijn meesterwerken: de Intimations of Immortality Ode, Tintern Abbey en Resolution and Independance. Maar het absolute hoogtepunt in het oeuvre wordt gevormd door het sublieme, grootse, epische The Prelude, een reusachtig werk in 14 delen dat duidelijk schatplichtig is aan Engelands grootste epische dichter, John Milton.
De drie eerdere gedichten, hoewel kwalitatief wellicht minder dan het volwassen werk, zijn ontroerend op een manier zoals Wordsworth dat in zijn latere gedichten nooit meer getroffen heeft.
Bloom schrijft erover: “… as I go into old age, they move me more than virtually any other poems.“
Wat zij weergeven is het menselijk lijden, op een herkenbare, simpele, invoelbare wijze.
Het portret van de bedelaar, een beeld uit zijn jeugd (“Him from my childhood have I known…”) in The old Cumberland beggar is aangrijpend.

In zijn inleiding op het gedicht schrijft Wordsworth dat dit type bedelaar (we komen hem geregeld tegen in de poëzie van Wordsworth; met name ook in Resolution and Independance en The Prelude) binnenkort wellicht uitgestorven zal zijn: “Poor, and mostly old and infirm persons who… had certain fixed days on which, in different houses, they regularly received charity; sometimes in money, but mostly in provisions.”
En inderdaad, we komen hem voor het eerst in het gedicht als hij net zijn wandelstok heeft neergelegd en één voor één zijn ‘scraps and fragments’ uit zijn tas haalt.
“In the sun, upon the second step of that small pile / surrounded by those wild, unpeopled hills / he sat, and ate his food in solitude: and ever, scattered from his palsied hand / that, still attempting to prevent the waste / was baffled still, the crumbs in little showers / fell on the ground; and the small mountain birds / not venturing yet to peck their destined meal / approached within the length of half his staff.”
Het is zo mooi omdat het zo onpretentieus en feitelijk is en zeker niet sentimenteel: de ‘wild, unpeopled hills’ complementeren de eenzaamheid van de bedelaar. Hij is geen ellendig wezen, één met de natuur (een soort van ideaal van Wordsworth) als hij is.
In zijn verschijning komt hij zo hulpeloos over (maar tegelijk zo puur en menselijk) dat iedereen die hem tegenkomt, de reiziger te paard, de dame die de tolpoort bedient of de jongen die de post bezorgt, ruimte voor hem maakt en aandacht voor hem heeft.
“He travels on, a solitary Man; his age has no companion. On the ground / his eyes are turned, and, as he moves along / they move along the ground; and, evermore / instead of common and habitual sight / of fields, with rural works, of hill and dale / and the blue sky, one little span of earth / is all his prospect.”
Hoewel het kleine stukje grond vlak voor hem het enige is dat hij ziet, leeft Wordsworth’s Old Man; hij trekt verder en verder, zo langzaam dat hij haast onbeweeglijk lijkt en hij heeft niets meer te wensen over – hij is tevreden met zijn lot.
Toch zou je je kunnen afvragen: Wat voor leven is dit? Wat voor zin heeft het nog? Wordsworth stelt die vraag ook, maar hij heeft onmiddellijk een antwoord: er is ‘a spirit and pulse of good / a life and soul, to every mode of being / inseparably linked’.
De Oude Man heeft zeker waarde voor zijn directe omgeving: hij roept deugd en ware goedheid op in hen die hem ontmoeten, onwillekeurig welhaast. Overal waar hij gaat ‘the mild necessity of use compels / the acts of love’. Hij roept zelfs vriendelijkheid op bij hen die nauwelijks iets hebben en desondanks aan hem geven.
De oude man ‘creeps’ van deur tot deur en wordt zo voor hen aan wie hij voorbij gaat ‘a record which together binds / past deeds and offices of charity / else unremembered.”
De oude bedelaar is zich zeker niet bewust van het goeds dat hij bij anderen teweeg brengt, het humaniserende effect van zijn verschijning:
“He appears to breathe and live but for himself alone / unblamed, uninjured, let him bear about / the good which the benignant law of Heaven / has hung around him: and, while life is his / still let him prompt the unlettered villagers / to tender offices and pensive thoughts.”
Hij is een vrije mens, en dat is essentieel:
“Then let him pass, a blessing on his head! And, long as he can wander, let him breathe /
the freshness of the valleys; let his blood / struggle with frosty air and winter snows;
and let the chartered wind that sweeps the heath / beat his grey locks against his withered face.”
Let wel: Wordsworth preekt hier niet de laakbare doctrine dat bedelarij goed zou zijn omdat het liefdadigheid mogelijk maakt; dat zou absurd zijn, zoals William Blake in al zijn felheid onderkent:
“Pity would be no more / if we did not make somebody poor; and Mercy no more could be / if all were as happy as we.”
Medelijden met deze bedelaar zou niet op zijn plaats zijn, dat is pas aan de orde wanneer hij noodgedwongen ergens opgesloten zou worden: “May never HOUSE, misnamed of INDUSTRY / Make him a captive!” Het is een protest dat vooruitloopt op de aanval op de armenhuizen door Wordsworth’s jongere tijdgenoot Dickens.
“Let him be free of mountain solitudes / and have around him, whether heard or not,
The pleasant melody of woodland birds.”
Dit: de natuur, de bergen, de vogels, of hij ze nu kan horen of niet, dit is zijn element, hier hoort hij thuis.
“Few are his pleasures: if his eyes have now / been doomed so long to settle upon earth / …let the light at least / find a free entrance to their languid orbs.”
En natuurlijk moet hij in de Natuur sterven, dat hij door haar opgenomen wordt:
“And let him, where and when he will, sit down / beneath the trees, or on a grassy bank / of highway side, and with the little birds / share his chance-gathered meal; and, finally / as in the eye of Nature he has lived / so in the eye of Nature let him die!”.
Dit zijn de laatste woorden van het gedicht. Deze sublieme passage beweegt van ‘Let him be free’ naar ‘Let him die’, implicerend dat de vrijheid die is gegeven, de vrijheid is om in de open lucht te sterven.
In The Western Canon noemt Harold Bloom dit gedicht in zijn geheel ‘a secular revelation, an uncovering of last things’. Het is iets buitengewoons: een menselijk wezen, gereduceerd tot de naakte essentie, maar nog steeds krachtig in zijn waardigheid en zeker niet waardeloos: deze stokoude, breekbare bedelaar die zich nauwelijks bewust is van zijn toestand en zeker niet van wat hij bij anderen teweeg brengt…
The Ruined Cottage is het verhaal van Margaret: de ik-figuur van het gedicht zoekt tijdens een wandeling de schaduw op en ziet dan achter de bomen de ruïnes van een huis (‘four naked walls / that stared upon each other’, met ‘a plot of garden-ground, now wild’) waar een rondtrekkende marskramer, die hij eerder trof op zijn wandelingen, ligt te slapen. Deze blijkt de familie die in dit huis woonde, Margaret en haar gezin, te hebben gekend en hij vertelt hun verhaal.
De grootste bewonderaar van dit gedicht was Wordsworths vriend en collega Samuel Taylor Coleridge (met wie hij samen de Lyrical ballads publiceerde), die van mening was dat dit één van de mooiste gedichten is uit de Engelse taal. Evenals The old Cumberland beggar is dit één van de vele Wordsworth-gedichten die het lijden van de Engelse lagere klassen verbeeldt; meesterwerken van compassie en diepgaand gevoel, waaruit een sterke empathie blijkt met allen die in nood zijn.

De cottage uit de titel van dit gedicht was ooit de woonplek van Margaret, haar echtgenoot Robert en hun twee jonge kinderen; nu echter totaal vervallen. Het raakt de marskramer persoonlijk, want hij heeft van Margaret gehouden als van een dochter:
“When I stooped to drink / a spider’s web hung to the water’s edge / and on the wet and slimy foot-stone lay / the useless fragment of a wooden bowl.
It moved my very heart.”
Hij treurt om de herinnering aan Margaret, maar koestert die tegelijkertijd als iets dat weliswaar tragisch is, maar ook mooi, en zuiver:
“The day has been when I could never pass this road but she / who lived within these walls, when I appeared / a daughter’s welcome gave me, and I loved her / as my own child. O Sir! the good die first…
Many a passenger / has blessed poor Margaret for her gentle looks / when she upheld the cool refreshment drawn / from that forsaken spring, and no one came / but he was welcome, no one went away / but that it seemed she loved him.
She is dead / the worm is on her cheek, and this poor hut / stripp’d of its outward garb of household flowers / of rose and sweet-briar, offers to the wind / a cold bare wall whose earthy top is tricked / with weeds and the rank spear-grass.
She is dead and nettles rot and adders sun themselves / where we have sate together while she nurs’d / her infant at her breast. The unshod Colt / the wand’ring heifer and the Potter’s ass / find shelter now within the chimney-wall / where I have seen her evening hearth-stone blaze / and through the window spread upon the road / its chearful light.
You will forgive me, Sir / but often on this cottage do I muse / as on a picture, till my wiser mind / sinks, yielding to the foolishness of grief.”
Misoogst en oorlog en de daaropvolgende armoede en resulterende wanhoop brachten Robert ertoe dienst te nemen in het leger (hij laat zijn vooraf geïnde soldij bij zijn vrouw achter) en hij verdwijnt uit haar leven; Margaret heeft geen idee of hij nog leeft dan wel ergens gesneuveld is. Haar oudste kind gaat buitenshuis werken, haar jongste sterft. Het enige wat haar nog drijft is de hoop dat haar man ooit terug zal keren, een hoop die, tegen beter weten in, in de loop van de jaren een destructieve passie wordt die haar totaal vernietigt. Hopen op iets waarvan totaal geen kans meer bestaat dat het ooit nog realiteit zal worden doet niet meer leven, maar kan iemands ondergang worden en is daardoor haast gevaarlijker dan pure wanhoop ooit kan zijn.
Dit is de tragiek van Margaret: ze komt om door datgene dat ooit het mooiste was aan haar: haar hoop en geloof, de herinneringen die ze koestert aan haar man en kinderen en die in het begin nog een positieve drijfveer vormen.
Het sterke van het verhaal is dat het in episodes verteld wordt; telkens keert de marskramer met lange tussenpozen weer terug naar het huis en telkens moet hij constateren dat het er weer nóg erger voorstaat met Margaret, die op het laatst zichzelf en haar huishouden totaal verwaarloost.
Dit is de climax:
“Meanwhile her poor hut sunk to decay, for he was gone whose hand / at the first nippings of October frost / closed up each chink and with fresh bands of straw / chequered the green-grown thatch. And so she lived / through the long winter, reckless and alone / till this reft house by frost, and thaw, and rain / was sapped; and when she slept the nightly damps / did chill her breast, and in the stormy day / her tattered clothes were ruffled by the wind / even at the side of her own fire.
Yet still / she loved this wretched spot, nor would for worlds / have parted hence; and still that length of road / and this rude bench one torturing hope endeared / fast rooted at her heart, and here, my friend / in sickness she remained, and here she died / last human tenant of these ruined walls.”
De ik-figuur is duidelijk aangedaan door het verhaal van de marskramer:
“The old Man ceased: he saw that I was mov’d / from that low Bench, rising instinctively / I turned aside in weakness, nor had power / to thank him for the tale which he had told.”
Maar hij krijgt op het hart gedrukt niet te lang te treuren, dat doet hij, de marskramer, zelf immers ook niet:
“My Friend, enough to sorrow have you given / the purposes of wisdom ask no more…
She sleeps in the calm earth, and peace is here.”
The Ruined Cottage is een donker, tragisch gedicht – maar impliciet bevat het ook troost. De marskramer constateert dat iedere keer als hij aan deze plek voorbijloopt, er een goede geest lijkt te heersen, dat de herinnering aan wat hier ooit zo mooi en kostbaar was, nog altijd levend lijkt te zijn:
“As once I passed did to my heart convey / so still an image of tranquillity / so calm and still, and looked so beautiful / amid the uneasy thoughts which filled my mind / that what we feel of sorrow and despair / from ruin and from change, and all the grief / the passing shews of being leave behind / appeared an idle dream that could not live / where meditation was.
I turned away and walked along my road in happiness.”
Michael is volgens Harold Bloom, in zijn vroege boek (nu al meer dan 60 jaar geleden verschenen) over de Romantic Poets, The Visionary Company, ‘the most directly Biblical of Wordworth’s poems’. En inderdaad doet het onmiddellijk denken aan het verhaal van de Verloren Zoon uit het Evangelie van Lucas, terwijl de titelfiguur, hoewel een arme schaapherder, een morele grootheid heeft die verwant is aan de oudtestamentische Patriarchen. Het is een gedicht over de bond tussen vader en zoon, die echter in dit verhaal voorgoed gebroken wordt; Michael sterft zonder nog de vreugde van zijn zoons terugkeer te mogen meemaken.

De zoon, wiens naam (Luke) zelfs lijkt te verwijzen naar de gelijkenis uit het Evangelie, is de oogappel van Michael, die pas op hoge leeftijd vader werd (hij is al over de 80 als zijn zoon 18 jaar oud is); hij voedt de jongen als klein kind al op tot schaapherder. Wanneer een familielid voor wie hij garant staat beroep op hem doet komt hij voor de keuze: óf een deel van zijn land, dat al generaties lang in de familie is, verkopen – óf de jongen bij een ander familielid in de kost brengen. Hij kiest voor het laatste, met kwalijke gevolgen: na aanvankelijk positieve berichten over zijn ontwikkeling raakt de jongen (in wie Wordsworth niet bijster geïnteresseerd lijkt te zijn; de focus ligt helemaal op de vader) van het pad af: ‘at length, he in the dissolute city gave himself / to evil courses: ignominy and shame fell on him…’ – is het laatste wat we over hem horen.
Symbool van de herinnering aan betere tijden is een hoop stenen in een vallei die, weet de ik-figuur, verbonden is met de droevige geschiedenis van Michael en het verbroken verbond tussen vader en zoon: “Beside the brook appears a straggling heap of unhewn stones. And to that simple object appertains a story…”
Die hoop stenen had uitgebouwd moeten worden tot een schaapskooi; Luke had er bij zijn vertrek de eerste steen voor gelegd. Michael zou het werk afmaken.
Michael zelf wordt omschreven als ‘an old man, stout of heart and strong of limb’.
“His bodily frame had been from youth to age / of an unusual strength: his mind was keen / intense, and frugal [sober], apt for all affairs / and in his shepherd’s calling he was prompt / and watchful more than ordinary men.”
Hoewel hij een gezin heeft, brengt hij uit hoofde van zijn beroep, veel tijd in eenzaamheid door, in de heuvels, in alle weersomstandigheden, te midden van zijn kudde schapen:
“Hence had he learned the meaning of all winds / of blasts of every tone … at all times, the storm, that drives / the traveller to a shelter, summoned him / up to the mountains: he had been alone / amid the heart of many thousand mists / that came to him, and left him, on the heights.
So lived he till his eightieth year was past.”
Michael is een vrij man; een nog sterkere band dan die met de zoon die hem op zijn oude dag geschonken wordt, is die met de Natuur; net als bij de Old Cumberland beggar is dit zijn element. Beiden doen denken aan de eenzame wandelaar (the Wanderer) die de protagonist is van The Prelude en zonder twijfel een afsplitsing is van Wordsworth zelf, die zo veel tijd heeft doorgebracht, wandelend en peinzend in zijn geliefde heuvels.
Michaels grootste wens is dat zijn zoon het land van de familie zal erven:
“… the land shall not go from us, and it shall be free; he shall possess it, free as is the wind / that passes over it.”
Dat dat uiteindelijk niet gebeuren zal, is Michaels grootste verdriet. Het laatste beeld dat we in het gedicht van de man krijgen is een passief beeld van menselijk lijden:
“I have conversed with more than one who well / remember the old Man, and what he was / years after he had heard this heavy news. [over de teloorgang van zijn zoon]
Among the rocks he went, and still looked up to sun and cloud / and listened to the wind; and, as before / performed all kinds of labour for his sheep / and for the land, his small inheritance.
And to that hollow dell from time to time / did he repair, to build the Fold of which / his flock had need. ‘Tis not forgotten yet / the pity which was then in every heart / for the old Man—and ’tis believed by all / that many and many a day he thither went / and never lifted up a single stone.
There, by the Sheep-fold, sometimes was he seen / sitting alone, or with his faithful Dog / then old, beside him, lying at his feet.
The length of full seven years, from time to time / he at the building of this Sheep-fold wrought / and left the work unfinished when he died.”
Het land wordt na Michels dood verkocht; het huisje, door omwonenden Evening Star gedoopt, vanwege het licht dat ‘s avonds altijd vanaf de heuveltop als een baken naar buiten scheen, met de grond gelijk gemaakt.
Michael was een krachtig en heldhaftig mens en één met de Natuur, maar uiteindelijk biedt dat geen enkele troost meer. De positieve noot aan het eind van The Ruined Cottage ontbreekt hier geheel.
De laatste regels van het gedicht:
“…yet the oak is left / that grew beside their door; and the remains / of the unfinished Sheep-fold may be seen / beside the boisterous brook of Green-head Ghyll.”
De eenzame eik en een hoop stenen zijn het enige dat nog getuigt van deze geschiedenis. “Michael concludes with a vision of utter loss”, zegt ook Harold Bloom.
Geef een reactie